is toegevoegd aan uw favorieten.

Gereformeerde beschouwing over schriftgezag

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovendien, die benaming „getuigenis des Geestes" is ontleend aan Schriftuurplaatsen als Rom. 8 :6 en i Joh. 5 :6, waar blijkens 't oorspronkelijke meer bepaald van 'n overtuigen en 'n nader bevestigen sprake is, hetgeen immers behalve op 't verstand evengoed op den wil betrekking heeft. Vandaar dan ook, dat Cajvijn 't steeds heeft over een getuigenis van den Geest in onze harten [testari cordibus], waarmee hij vanzelf alle „in woorden bestaand getuigenis" buitensluit1).

Ja — wat misschien nog sterker tot u spreekt — er zal wel niemand onder ons zijn, die ooit zoo'n „hoorbaar iets" in zijn ziel vernomen heeft en daardoor tot erkentenis van 't Schriftgezag gekomen is I

Maar wat is dat getuigenis dan?

Is 't dan misschien zoo, — gelijk sommigen het voorstellen — dat Gods Geest ons allerlei religieuze ervaringen doet beleven: vernieuwing des harten, vergeving van schuld, troost in droefheid, overwinning van hartstochten enz., welke alle door middel van de Schrift ons deel zijn geworden, en dat nu de Geest bij wijze van eene redeneering (een syllogisme) getuigt, dat dus de Schrift wel waarlijk van bovennatuurlijken, Goddelijken oorsprong is en gezag over heel ons leven heeft, wijl ze zulke bovenmenschelijke bevindingen in ons binnenste kan bewerken?

*) ef. S. P. Dee, Het Geloofsbegrip van Calvijn, Kampen 1018 (Dissertatie), bl. 120 en 121.