Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

religieus opzicht, aan dat zelfgetuigenis der Schrift volle aandacht te schenken, omdat niemand minder dan Christus het met betrekking tot het Oude Testament onvoorwaardelijk onderschreven heeft1), en na Hem de apostelen evenzoo hebben gedaan.

Te veronderstellen, dat de Heiland Zich hierbij aan 't beperkt inzicht van Zijn tijdgenooten zou hebben aangepast of zich althans niet positief er over zou hebben uitgelaten, is toch wel wat zonderling, omdat 't immers niet een algemeen-menschelijke zaak noch een puurwetenschappelijk vraagstuk gold, maar een gegeven, dat met Gods openbaring in 't nauwste verband stond, zeker niet minder dan de tempel-quaestie.

En waar Hij zich nu niet ontzien heeft, om van den tempel te profeteeren, dat geen steen op den anderen gelaten zou worden, daar is 't tamelijk ongerijmd, dat het ontzien en zelfs hooghouden van 't Schriftgeloof bij Jezus enkel uit toegevende accommodatie2) aan de zwakheid van Zijne hoorders zou zijn voortgekomen *).

Natuurlijk klemt dit alles veel sterker, wanneer de Schrift, uit welke we Christus en Zijn optreden ken-

a) Zie Dr. J. Ridderbos, De beteekenis van het Oude Testament voor de Christelijke religie, Kampen 1913, p. 23 (en de daar opgegeven literatuur) en Dr. P. J. Kromsigt, „Daar staat geschreven", Rotterdam 1909, bl. 7 en 8 (met de noten op bl. 25).

2) Aanpassing aan de verkeerde zienswijze zijner tijdgenooten.

3) Dr. A. Kuyper, Encyclopaedie, II, bl. 390 en bl. 402 vgg. Zie ook Grosheide, Schriftgezag, p. 24.

Sluiten