Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

namelijk bezig te zijn!1) Ook zullen zij, die deze organische theorie zijn toegedaan, zich niet vermeten, vorm en inhoud te kunnen scheiden (als ware 't woord geen levende, groeiende grootheid), want deze voorstelling, die zich de vorm, de omhulling der gedachte eenigszins als 'n gereed staand, leeg vat denkt, dat met inhoud gevuld kan worden, hoort thuis in een exegese (uitlegkunde), die historisch en grammatisch meestal goed gefundeerd is, maar de linguistisch-psychologische8) grondlegging al te veel verwaarloost8). Wel zullen ze daarentegen de uiterste nauwgezetheid aanwenden, om door recht verstand van het Oostersch milieu, van de veelszins dichterlijke uitdrukkingswijze, van de persoonlijke geaardheid van den auteur en van de eigenaardige tijdsomstandigheden, het specifieke openbaringskarakter (voor „toen" èn „thans") van een bepaald Schriftwoord al meer als 'n gekloofde diamant voor den heilbegeerigen geloofsblik te doen fonkelen4).

Trouwens, alleen op die manier kan ik me verklaren, dat het Woord nu nog door den H. Geest tot mij spreekt, dat Woord als een geheel van rededeelen, als

*) Bavinck, Wijsbeg. der Openb., bl. IQ.

3) De spraakkundige en zielkundige. *) Woltjer, a. w. bl. 36—39.

4) Zoo wil het ook Dr. A. Noordtzij, De Oudtestamentische Godsopenbaring en het Oud-Oostersche leven, Utrecht 1912. Ook vergel. men Dr. R. H. Woltjer, „Het Woord Gods en het Woord der Menschen", Utrecht 1913. M. Noordtzij, Babylonische Psalmen in vergelijking met die des Ouden Testaments, Kampen 1911.

Sluiten