Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij drie andere bronzen, die op eenigen afstand uit de Komëring werden opgevischt en Buddhistisch zijn1). Alles tezamen genomen vertegenwoordigt deze geographische middengroep der oudheden het Palembang, dat in relatie met Java stond en dat wij ook inderdaad met dien eigen naam Palembang mogen aanduiden, welke sinds de dertiende eeuw aan deze plaats wordt gegeven; hier lag vermoedelijk de stad, die aan Java onderhoorig werd in de veertiende eeuw, en zeker de hofplaats, in 1659 door Van der Laan genomen en verwoest2). De vondsten wijzen uit, dat er ongetwijfeld ook vóór de dertiende eeuw al iets geweest moet zijn, maar doen niet blijken, of dat iets al dan niet het oude Crïwijaya was.

Met deze groep van overblijfselen, chronologisch de jongste van de drie, behoeven wij ons thans niet verder bezig te houden. Wij wenden nu onze aandacht naar het Noord-Oosten, naar Tëlaga Batu. Sporen van gebouwen zijn daar niet gevonden en evenmin beelden, noch van steen noch van brons. Uitsluitend beschreven steenen. De grootste en voornaamste is 2.26 M. hoog en 1.48 M. breed; de afgeronde bovenrand wordt overhuifd door zeven cobra-koppen. Op de voorzijde staan 28 regels schrift, volkomen verweerd, zoodat slechts enkele letters leesbaar zijn; het onderste deel van den steen is slechts ruw behakt en tusschen dit stuk en het gladde bovenvlak loopt een horizontale, naar achteren afgeschuinde rand, die dus een groefje onder de inscriptie vormt en die in het midden wordt onderbroken door een tuit. Hieruit zijn twee dingen op te maken: de steen was met zijn onzichtbaar onderstuk ergens in opgesteld, vermoedelijk een voetstuk, en hij was bestemd om met water of een andere vloeistof te worden overgoten, dat dan in de groef werd opgevangen en door den tuit naar buiten geleid. Het was dus een vereerde en gewijde steen, waarbij de voorspoed schenkende

*) O.V. (1930), p. 156 vg. en pl. 45; Jaarb. 1 p. 217 vg. 2) Wellan, Tijdschr. Aardr. Gen. 51 (1934), p. 348—350, met plaat I, en Kol. Tijdschr. 24 (1935), p. 16—-22 en 215—228.

403

Sluiten