Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de belangrijkste parallel ligt op mythologisch gebied, en deze is, hoewel zij voor de hand ligt, voor zoover ik weet, nog door niemand getrokken. De cretensische Zeus zelf was in zijne prille jeugd gezoogd door eene goddelijke geit, genaamd Amaltheia*). In de antieke kunst vinden wij het kindeke Zeus afgebeeld aan den uier der geit2), of ook wel Amaltheia in menschelijke gedaante met het kind op den schoot of het voedende uit den hoorn des overvloeds. In de grieksche en romeinsche litteratuur treffen wij over Amaltheia wijd uiteenloopende mythen aan, die voor een groot deel de vrucht zijn van de speelsche fantasie van dichters. In deze legenden zijn evenwel een aantal primitieve trekken bewaard, die op het oorspronkelijk hoogheerlijke wezen van de geit Amaltheia een sterk licht laten vallen. Zij wordt genaamd de dochter van de Zon, of van den Okeanos.3) Bij haar schrikwekkenden aanblik vluchten de Titanen *) (die in de sage bekend staan als de vijanden en moordenaars van den jeugdigen Dionysos). Zij huist in de heilige grotten op Creta. Zij is de „hemelsche geit", die allen rijkdom aan de

bronzen geit, die door de burgers werd aanbeden en met het sterrebeeld Capella in verband gebracht (Paus. II, 13, 6). Frazer heeft het gewaagd te veronderstellen, dat deze geit Dionysos zelf voorstelde. Ik zou eer zeggen: de moeder van Dionysos.

') Zie Neustadt, De Jove Cretico, diss. Berolin. 1906, p. 18 sqq.

') Op eene basis in het Museo Capitolino; zie Helbig, Führer3, 864. Cf. Stephani, Comple-rendu pour 1864, p. 191; 1869, p. 116, 5. — Op een zegelafdruk uit Knossos ziet men een gehoornd schaap met een kind er onder (A.B.S. IV, 1902—3, p. 88, fig. 60). — Op munten der cretensische stad Praisos uit de 5de eeuw vóór Chr. wordt het kind Zeul gezoogd door eene koe (zie Evans, The Palace of Minos, p. 684, 3; Cook, Zeus, I, fig. 507 sq.).

*) Hyg. Fab. 182. — „De dochter van den Oceaan ben ik", zegt Ishtar in een assyrisch orakel (Langdon, Tammuz and Ishtar, p. 138).

*) Cf. Robert, Eratosthenis catasterismorum relt., p. 102 sq.

36

Sluiten