Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jlat ze ons alleen gewaarwordingen brengen over de buitenzijde der dingen. Dat recht te hebben ingezien, is juist de beteekenis en het begin tevens van de nieuwere wijsbegeerte, die ons geleerd heeft op deze dingen nauwkeurig acnr te geven.

Al ons waarnemen betreft de oppervlakte. We zien slechts de naar ons toegekeerde zijde der voorwerpen. Keeren we ze om, dan zien we iets anders, maar weer een oppervlakte. Snijden we ze door, dan kunnen we wel aanschouwen, wat vroeger verborgen was, maar toch tenslotte weer een buitenzijde.

Tot kennis van het wezen der dingen komen we door enkel waarnemen niet. Ik ga U hier over den gang der wijsbegeerte niet spreken. Voor ons Christenen staat het aldus: wij gelooven, dat één en dezelfde God den mensch en alle dingen heeft geschapen, dat Hij daarom den mensch op het kennen der dingen heeft aangelegd. Wat we waarnemen is - behoudens mogelijke dwaling onzerzijds — objektief waar. Maar tot rechte kennis van het wezen der dingen komen we door enkel waarnemen niet. Daartoe komen we alleen door nauwgezette en ingespannen arbeid van ons denkend verstand. En tot ware, juiste kennis van het wezen der dingen zal ons denkend verstand slechts dan komen, indien het zich laat voorlichten door het onfeilbare Woord van onzen God.

Ik raakte daar aan zeer diepe en moeilijke kwesties. Ik ga daar thans niet verder op in. Maar ik moest er toch iets van zeggen om U te doen gevoelen, dat oppervlakkigheid volstrekt niet een vreemd verschijnsel moet worden geacht bij gevallen menschen.

In het Paradijs hebben Adam en Eva het woord der slang eerder geloofd, dan het Woord Gods. Zij hebben zich aan den schijn vergaapt. In dat opzicht is er reeds oppervlakkigheid in de eerste zonde. En sinds bleef de oppervlakkigheid. In meer dan één opzicht. Oppervlakkigheid is het feitelijk, wanneer de mensch, niet rekenend met de zonde, op eigen waarnemen afgaat en het Woord Gods niet raadpleegt. In dien zin zijn de diepste niet-christelijke denkers oppervlakkig. Evenwel, dit zijn we niet gewoon oppervlakkigheid te noemen. Daarvan spreken we, als gezegd, wanneer men aan de buitenzijde der dingen blijft staan, iets, wat we nu aldus nog nader kunnen omschrijven: wanneer men alleen afgaat op waarnemingen, zelfs op onvolledige, terloops gedane waarnemingen en niet de moeite neemt, het waargenomene behoorlijk te overdenken, te kontroleeren, te waardeeren, te systematiseeren met het denkend verstand.

Oppervlakkigheid gaat dan ook hand in hand met haast. Wat haastig verricht is, mist degelijkheid. Haastig sluit bijna reeds vanzelf in minder goed. En nu zal duidelijk zijn, dat oppervlakkigheid een kenmerk van onzen tijd moet wezen. Er is in de wereld nooit zulk een haast geweest als op dit oogenblik. Spoedig, spoedig, zoo hoort ge telkens weer. Spoedig reizen, spoedig bedienen, spoedig vooruitkomen, spoedig leeren, alles spoedig, behalve wellicht spoedig betalen! Daardoor moet het leven aan degelijkheid inboeten. De groote massa smakeloos vervaardigde fabrieksvoorwerpen, die ge in alle magazijnen aantreft, teekenen onzen tijd. Ze zijn met haast gemaakt, spoedig waren ze gereed, maar ze zijn leelijk, alle van één model, van slecht materiaal, spoedig versleten en gebroken.

Sluiten