Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan haar geven naar een vast plan. De nêpn worden klaarder, naar mate de nieuwe bedeeling nadert. Daarentegen gaan we niet met Bleek en Kübel-Riggenbach mede, als zij ons verwijzen naar 1 Kor. 13 : 9. Dit vers immers ziet op de nieuwe bedeeling en duidt aan, dat de profetie, gelijk die met name in de gemeente te Korinthe voorkwam, i» ftêpoug was. Hebr. 1 : 1 zet het roAufiepüg van de oude profeten tegenover de volkomen openbaring door den Zoon. Niet meer dan als curiositeit kan worden meegedeeld het gevoelen van Lambertus Bos (te vinden bij Bleek en Wolf, Curae). Op grond van Maxim. Tyr. Dissert. 7, 2, waar het woord van de muziek is gebruikt, meent hij, dat hier is bedoeld een zingen der heilige zangers op verschillende wijzen. Behalve, dat door deze opvatting aan de eigenlijke beteekenis van het woord (uit vele deelen bestaande) geen recht wordt gedaan, heeft zij tegen zich, dat mkjftepfc volstrekt niet uitsluitend van de muziek wordt gebruikt eft dit element, indien het verband 't niet eischt, er dus niet mag worden ingebracht. TlotófpoiroQ bestaat uit a-sAie en rpcTTog en duidt aan, dat ook de rpó^oi der openbaring vele waren. Dikwijls denkt men ter verklaring aan Num. 12:6. (Alford, Bleek, Camero, Grotius, Kübel-Riggenbach, Kurtz, Maier, Stuart, Wolf, De Wette). V. Hofmann, Keil en Kuinoel hebben echter aangetoond, dat dit onmogelijk is. Er staat niet, dat God mtorpbm* tot de profeten sprak, zooals Num. 12:6 zou eischen (gezichten, droomen), maar dat God iroksrpómx; door de profeten tot de vaderen sprak. Wil men verwijzen, dan is het beter met J. Cappellus aan Jes. 28:10 te denken. Ylo>uTp<ne^q duidt aan, dat God den profeet afwisselend beval het volk te leeren, te troosten, te vermanen enz. (Moll). Daarbij kunnen dan weer zoowel vorm als inhoud verschillen (Bleek), een verschil, dat telkens wordt beheerscht door de behoeften der hoorders O^eiss). Ebrard merkt op, dat de openbaring door Christus komt op eene r/wre>$, die met de oLo-t» der openbaring overeenstemt. Doch dit wordt door Trohn-pém^ niet uitgedrukt. Het zegt alleen, dat de rpóxoc vele waren, niet, dat de Tpó™ aan het wezen der openbaring niet beantwoordden. Uit 2 Petr. 1 : 21 schijnt zelfs te mogen worden afgeleid, dat ook de rpbiroi der oude profeten volkomen waren en dies aan het wezen der openbaring beantwoordend, want ook de rpóreq is telkens van den Heiligen Geest. Uohjutpüx; en irohsrpóxws zijn van

Sluiten