Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo juist merkt Theodoretus op, dat het Goddelijke nooit in één woord kan worden beschreven en dat daarom meerdere termen noodig zijn. Nu zou men oppervlakkig misschien zeggen, dat ?ó§« en urótrraurtq verschillen als verschijning en wezen. Doch niets is minder juist, want Jógx ziet niet op de openbaring des Vaders en kan daar niet op zien, maar op 's Vaders wezen, dat heerlijk is. Het verschil is allereerst, dat de Zoon, Die «xxóyxo-ftx Sofa is, even heerlijk bestaat als de Vader, maar Hij heeft als yxpaxTrip i^rovrcurmi; ook dezelfde realiteit. Doch van meer belang is het op te merken, dat xirxvyourftoi oófa wel zegt, dat de Zoon heerlijk bestaat, maar het vermoeden kon doen rijzen, dat Hij niet bestaat onderscheiden van den Vader, dat dit laatste zoo is ligt in yxp^^hp öxotTróuretM;, want een yotpouvriip bestaat op zichzelf (Chrysostomus, Theodoretus). Te zamen spreken de uitdrukkingen de volle wezensgelijkheid uit (Kuinoel, Delitzsch). Stuart, Excursus spreekt van volkomen overeenstemming in attributen en wezen, Heubner en V. Soden van gelijkheid in vorm en inhoud, doch in God kan niet onderscheiden worden tusschen vorm en inhoud, wezen en atributen. Buitendien zien uTnxrrxa-tg en Só%x beide op het wezen (den inhoud) Gods. Volgens Moll is de bedoeling, dat in het Strahlbild, het wezen Gods is afgedrukt. Deze verklaring wordt reeds weersproken door het nevenschikkende xod. Vernuftig maar zonder grond is Wichelhaus' opmerking, dat 2ó%* en bvwrrxvu; zich verhouden als x«(«e en kMfrua. Joh. 1 : 14. Het verhaaltje, dat Niebergall geeft, is lang niet voldoende om de kracht der beide beelden weer te geven, maar hij gaat uit van het standpunt, dat in den Zoon, „der unsichtbare Gott in einem Mensche sichtbar wird". Dat is bijna het tegendeel van de volkomen wezensgelijkheid tusschen Vader en Zoon, die ons hier wordt geleerd.

De beteekenis van S>v is duidelijk. Over de waarde van het praesens spreken we het gemakkelijkst later, als we Z>v kunnen verbinden en vergelijken met tpépuv en ■xoafTkfiwoq.

De verbinding met hetgeen volgt, wordt tot stand gebracht door ré. Het valt van zelf op, dat niet x*l is gebruikt. Volgens KühnerGerth, II, 2», bl. 241 en 242 komt een enkel ré in proza voor bij participia en infinitivi, die in zekeren zin als elkander aanvullende bijzinnen moeten beschouwd. Bij geheele zinnen duidt het aan, dat

Sluiten