Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijke natuur van eeuwigheid is, en dat êx<k&t<n» ziet op eene daad, die Hij als Middelaar verrichtte. Nu is het op zichzelf volkomen waar, dat Christus Zijn Middelaarswerk alleen kan verrichten, omdat Hij ook waarachtig God is (Joh. 3 : 16, Gal. 4 : 4 vgl., zie ook Wichelhaus). Maar indien het de bedoeling van Hebr. was dat uit te drukken, dan moest er Staan: &v <pépuv re èxobp-ev r.xl ïrura. iiw&to-iv. want het God zijn is niet minder grondslag van het kunnen reinigen dan van het kunnen zitten. Nu echter *-ocrpóifu»o<s als partic, evenzeer van óeós-ftre» afhangende, tusschen 5>v, ipépwv en èKé&urtv wordt ingeschoven, kan in S>v en tpépuv niet de reden liggen van até&tow. Integendeel wil men den grond van het kKó&to-t» zien uitgedrukt, dan is er veel meer reden om dien te zoeken in rot^a-iftevof, dat nauwer met btó&io-e» is verbonden en, wat den inhoud aangaat, op hetzelfde gebied ligt. In onze meening worden we versterkt door Fil. 2:9, waar niet op iv [io/xp-Ti Sto& fcxpjtuv, maar op irxxetvwrev ixuróv volgt, oio koü b 9-esv ouWbv üxepé^wrev xrA. vgl. ook Hd. 2 : 36. Grammatisch zal de zaak hier wel niet kunnen worden uitgemaakt. Het is wel waar, dat het praesens vaak eenen voortdurenden toestand aanduidt (KuhnerGerth. II, 1», bl. 132), maar daarmede is nog niet gezegd, dat menw» en tpêptov niet zou kunnen vertalen door, daar Hij was en droeg. Op grond van de beteekenis en het verband kiezen we de verklaring: terwijl Hij is en draagt of liever nog: zijnde en dragende De participia geven dus aan de gelijktijdigheid met het hoofdwerkwoord (Moll). Over de beteekenis van het part. aor. *on)<r*ftevog bestaat geen verschil. Die er nog uitdrukkelijk van spreken, geven de vertaling: nadat Hij tot stand gebracht had (Kübel-Riggenbach, Bengel, V. Hofmann, Nösgen, Gesch. N. T. Off. II, bl. 123). Het wordt van zelf èn omdat het in den aor. staat èn omdat eenig voegwoord ontbreekt, gescheiden van de beide part. praes. (V. Hofmann, Keil) en nauw verbonden met hcé&unv, omdat het aangeeft, wat aan èxé&urw onmiddellijk voorafgaat (Keil) en krachtens de beteekenis ligt op hetzelfde gebied als óeóSwo» (Bleek, vgl. Ebrard). Het ziet op den status exanitionis, die aan den status gloriae voorafging (Kübel-Riggenbach). Ik heb reeds opgemerkt, dat ook de grond van ixó&mv (daar Hij) in xotrpx/Mvoq kan zijn uitgedrukt. Doch ik stem gaarne toe, dat in dit verband, waar eerst wordt gezegd, dat God door den Zoon tot ons sprak en

Sluiten