Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de onze overeen (vgl. Wichelhaus). Nog eene moeilijkheid hebben we onder de oogen te zien. Wij verklaarden, dat Kpetrrwv yevófttvog rüiv 'ovyykhiv ziet op den Middelaar naar Zijne Goddelijke en menschelijke natuur, Doch nu is de vraag, hoe kan dan auopa, zien op de bij de verhooging weer volle uitstraling der Goddelijke natuur m. a. w. kan Heb. de macht die de Middelaar ontvangt vergelijken bij iets, dat alleen de Goddelijke natuur aangaat. Wij merken eerst op, dat subject van KatXïipevófiïtKtv is de Middelaar (God en mensen). Dan kan toch zeer goed de naam God zijn bedoeld, omdat van den Middelaar voortdurend dingen worden gezegd, die van Hem uitsluitend gelden als God (vgl. 5>v k-KaüyxtTfia. enz.). En in de tweede plaats staan de zaken zoo. Om aan te duiden, dat door de verhooging de Middelaar machtiger wordt dan de engelen, wordt gewezen op hetgeen in die verhooging het grootste, het voornaamste was, d. i. het weer ten volle uitschitteren der Goddelijke Majesteit. Geheel op dezelfde wijze

Staat Fil. 2 voorop fij iv po/xpri Sreoü urApyutv bxurbv iiUvwrtv, omdat

dat de grootste vernedering uitdrukt.

Thans dient gehandeld over de beteekenis en de waarde van vs. 4 in zijn geheel. Wat den inhoud aangaat, vergelijkt vs. 4 niet, zooals Beza wil, de natuur der engelen met die van den Middelaar. In dat opzicht geldt, dat Christus, als zijnde van eeuwigheid God (vs. 3), steeds meer is geweest. Maar het gaat om het ambt (Cyrillus, Owen). In Zijn Middelaarswerk komt Christus door den staat der verhooging tot veel grooter macht dan de engelen bezitten (Moll). En wel tot zulk eene macht, die zich tot die der engelen verhoudt, als Zijne openbaring staat tot de hunne (vgl. Alford). Door de verhooging houdt alle xivwte op, Christus openbaart de volle heerlijkheid (vgl. Bleek). V. 4 sluit zich nauw bij vs. 3 aan, de zin loopt door en tevens bevat vs. 4 het thema voor 't vervolg (Ebrard, Holtzheuer, Keil, Moll). Zoo ligt in vs. 4 de overgang van de inleiding tot het eerste deel van den brief. Het gevolg daarvan is, dat de een vs. 4 rekent bij het voorafgaande (b. v. Bleek), de ander bij het volgende (b. v. Ebrard). Bengel wijst ons er op, dat het begin van vs. 4 aansluit bij het vervolg en het einde bij het voorafgaande. (In zekeren zin een chiasme). In allen gevalle spreekt ons ook dit vers nog van de groote heerlijkheid van den verhoogden Middelaar.

Sluiten