is toegevoegd aan uw favorieten.

Opmerkingen over Hebr. 1:1-4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan het einde onzer verklaring gekomen gelooven we te mogen vaststellen, dat Hebr. 1 : 1—4 bedoelt te spreken van de heerlijkheid van den Middelaar; van den Middelaar, Die waarachtig God en waarachtig mensch is. Van dien Middelaar worden (niet ongelijk aan Joh. 1 : 1—3) opgenoemd: a) dingen, die Hij deed als Tweede Persoon van het Goddelijke Wezen (ï<* ou arobptv, <pepuv), b) hetgeen Hij als God was, is en blijft (&x<xuyxo-ptx, yxpcatTtip), c) het Middelaarswerk der Verlossing, dat Hij, Vleeschgeworden, verrichtte (vgl. Calvijn en Clarius). Juist, waar het de bedoeling was de grootheid van den Middelaar te teekenen, kwam het er op aan van Hem ook te vermelden, hetgeen Hem toekomt naar Zijne Goddelijke natuur. Al wordt dit alles nu op zeer verschillende wijzen uitgedrukt, zoo is het toch ook het gevoelen van Bengel, Beyschlag, a. w. II», bl. 308 vlg., Bleek, Ebrard, Keil, Kurtz, Weiss, Wichelhaus e. a. Meestal geeft men het minder gelukkig aldus aan, dat niet de praeexistente Logos, maar de historische Christus de Persoon is, om Wien het gaat, doch dat van dien historischen Christus ook wordt vermeld, wat Hem in de praeexistentie toekwa*m. Als Clericus alles, ook de uitdrukkingen axxuyxa-fix en yjxpxKTtp, laat slaan op de menschelijke natuur, meenen we reeds de onmogelijkheid daarvan te hebben bewezen (vgl. ook Bleek en Elsner). Maar aan de andere zijde gaan evenzeer Alford en Wolf verkeerd, als ze 8c meer laten zien op, wat ze noemen, den praeexistenten Christus (vgl. boven). Vs. 1—4 vormen de inleiding van den geheelen brief en geven in 't kort den inhoud daarvan aan. Zij stellen voorop de heerlijkheid van den Middelaar, die Hij èn bezit krachtens Zijne Goddelijke natuur èn verkreeg door het volbrengen van het werk, waarvan breeder zal worden gesproken. Wat de vertaling aangaat stellen wij de volgende overzetting voor: Velerlei malen en op velerlei wijze heeft God van ouds tot de vaderen gesproken door de profeten, maar in het thans gekomen laatste der dagen sprak Hij tot ons door Zijnen Zoon, Dien Hij gesteld heeft tot bezitter van alle dingen, door Wien Hij ook de wereld gemaakt heeft. Zijn Zoon, Die als uitstraling Zijner heerlijkheid en afdruk van Zijn wezen en als drager van alle dingen door het woord van eigen kracht, nadat Hij reinigmaking der zonden had teweeggebracht, zich gezet heeft ter rechterhand der Majesteit in den hooge en daarbij

5