Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben ? Cornelius zond deze twee slaven en oxoaxiartrp^ evoeftfj. Vermoedelijk is dat dus ook een in Italië geborene geweest. Moet verondersteld worden, dat ook deze en de twee oixetai het Arameesch kenden, om met Petrus, dien zij verzoeken moesten om bij Cornelius te komen, te kunnen samenspreken ? Wanneer daarna Petrus te Caesarea en bij Cornelius binnenkomt, vindt hij daar velen samengekomen, noXXovg, Hand. 10 : 27, dus eene vrij talrijke schare, want Cornelius had voor die gelegenheid bij zich genoodigd xovg ovyyeveïg avxov xaï xovg dvayxaiovc cpLXovg, Hand. 10 : 24, dus zijn verwanten en bizonderste vrienden'). Tot 'die vrienden zullen ook wel medeoversten behoord hebben, militairen, die evenals hijzelf, uit Italië afkomstig waren. Zou het nu aannemelijk zijn, dat deze velen, ook degenen, die evenzeer als Cornelius niet uit Palestina of Syrië of de Oostelijke landen van het Romeinsche rijk, maar uit het niet-Semietische buitenland, als Italië, afkomstig waren, allen het Arameesch verstonden en spraken, hoewel zij militairen waren, en in Caesarea woonden ? Deze menschen zullen het Grieksch als hunne gemeenschappelijke en conversatietaal gehad hebben. En in die taal zal ook Petrus, en de zes andere Joden, die met hem meegekomen waren, Hand. 10 : 23, vgl. 11 : 12, met hen gesproken hebben. Maar dan blijkt daaruit wederom, dat Petrus niet enkel het Arameesch kende en sprak, doch evenzeer het Grieksch, om zich van die taal te bedienen, wanneer dat noodig mocht zijn. En omdat deze prediking tot Cornelius niet eene gebeurtenis was uit de laatste jaren van Petrus' leven, maar, zooals we zagen, uit de eerste jaren van het bestaan van Jeruzalems gemeente, volgt ook daaruit, dat Petrus het Grieksch niet op lateren leeftijd heeft geleerd, maar reeds van zijne jeugd, door het verkeer met Grieksch sprekenden. Ook de zes met den apostel Petrus meegekomen broeders,

') In onderscheiding van avyytueXq zullen kva.yvutioi wel bizondere vrienden aanduiden, en dat te meer, omdat het lidwoord er voor herhaald wordt, hoewel het woord op zichzelf ook verwanten kan aanduiden; vgl. Th. Zahn, Die Apostelgesch. S. 344 39.

Sluiten