is toegevoegd aan uw favorieten.

Rede, gehouden bij de herdenking van het honderd-jarig bestaan der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit op 28 September 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welhaast kwam uit Haarlem een voorstel van verdere strekking. Men moest, heette het daarin, den nood der tijden aangrijpen om alle te vereenigen in ééne corporatie, die behalve het Seminarie ook andere belangen behartigen kon. Ook te Amsterdam was een dergelijk denkbeeld overwogen. En in Februari 1811 nam eene commissie van drie kerkeraadsleden uit Amsterdam, drie uit Haarlem, drie uit Oost-Zaandam, als naastbij liggende gemeente daartoe uitgenoodigd, de geheele aangelegenheid in handen. Zij vergaderde te Amsterdam en te Haarlem; zond aan al de kerkeraden eene „Ontwerp-vereeniging der doopsgezinde gemeenten tot bevordering van den predikdienst" met verzoek om opgaaf van het jaarlijksch bedrag, waarmede zij bereid zouden zijn zulk eene vereeniging te steunen; en noodigde in Mei de contribueerende gemeenten uit een Bestuur te verkiezen. Op 21 Augustus hield dit zijne eerste vergadering te Amsterdam, waarschijnlijk in de kerkekamer van de kerk bij den Toren, Singel bij de Bergstraat, waar nu de roomsche kerk „het Torentje" is. Daar waren van de 16 gekozenen 14 bijeen, benevens Professor Hesselink als secretaris en Walraven van Heukelom uit naam van het Fonds de Vogel. Voorzitter is Willem de Vos, de oudste Amsterdamsche predikant, een scherpzinnig, voornaam, algemeen gevenereerd, min of meer gevreesd man. Ondervoorzitter Arent Hendrik van Gelder, insgelijks predikant te Amsterdam, beminlijker dan zijn oudere ambtgenoot, de dichter van eenige onzer fraaiste menniste gezangen, zoo van „God ontzachlijk Albestuurder", een man, van wien de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen de liefde was en de lust. Voorts zitten daar o.a. de geleerde literator-predikant Abraham de Vries; Adriaan Loosjes, de schrijver van „Maurits Lijnslager" en andere vaderlandsche romans; beiden uit Haarlem en die beiden zeker almede de vurigste voorstanders van de oprichting waren geweest; de achtbare Amsterdammer Jan Ananias Willink, van piëtistischen, thans bijna uitgestorven huize; Muller, toen te Oost-Zaandam, eene drijvende kracht bij de