Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Calvijn spaart niet de epitheta bewonderenswaardig, schitterend, prachtig.

,,Wij vermaken ons over de schone dingen en overal waar de gaven Gods schitteren, moeten onze zielen zich verheugen. Wij zingen als de sterren Gods ere en met die der natuur moet zich een hymne van dank van alle schepsel tot den Schepper verheffen". 1) Welke zijn nu de constituerende elementen dezer schoonheid van het geschapene ? Glans, orde en volmaaktheid. De orde is de gelijkvormigheid met de goddelijke wijsheid. Zij verenigt de grootst mogelijke verscheidenheid, getuige het hemels mechanisme of de verscheidenheid der organen van het menselijk lichaam. Maar zonde en val treden tussenbeide. De eerste openbaring wordt er door geschonden.

c. Schoonheid en val.

De tussenkomst van Satan is oorzaak van de verstoring der orde in de wereld.

Eerste gevolg : de schepping verliest het verband met God, die haar in schoonheid had geformeerd. Tweede gevolg: zij komt in een beklaaglijke toestand en vervalt van haar oorspronkelijke schoonheid. Derde gevolg : de mens is door zijn zonde verblind en verliest de zin voor de juiste verhoudingen en maten. Er ontstaat schijnschoon: beauté apparente.

Toevertrouwd alleen aan de intuïtie van ons vlees, ontgaat ons de diepere waarde, van wat we zien. De mens gaat af op de schone schijn van zichzelf, van zijn gelijken. We zien de band niet meer, die ons met God verbindt. De smaak wordt door de schijn bedorven. Men voedt zijn geest met denkbeeldige schoonheid en beseft niet meer waarde en maat van wat men ziet. „Is het geen grote schande, dat het ons in deze nog schone wereld

*) Deze en dergelijke passages doen ons denken aan de leesboekjes onzer jeugd op de Christelijke scholen en het lied daar voor vijftig jaar. Hoe is de vrome schoonheidsgedachte van de Reformator door het medium der Gereformeerde prediking en litteratuur en die van het Réveil eeuwen lang doorgedrongen tot in de schoollitteratuur der voortrekkers van het Christelijk onderwijs. Tot er een zekere Demetrius opstond, die voor die school kleine tempelen van het Kloosiaans Impressionisme maakte, waaruit hem geen klein gewin toekwam, naar men zeide.

Ten minste, toen mijn „Moderne kunst en ontaarding" verscheen, werd hi} vol van toornigheid en riep in een periodiek, die zich daarvoor veil gaf, bladzijden lang: „Groot is het impressionisme der Kloosianen", bevreesd, dat de grote godin van het Impressionisme als niets geacht mocht worden. Sinds zong men op de Christelijke scholen meer van „Kleuters, die op een hek zaten op een mooie dag in September", dan „Er ruischt langs de wolken een lieflijke Naam"

Sluiten