Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen schitteren in ons heil. Het zien van Gods schoonheid is dus een der eerste tekenen van de Uitverkiezing. Is de zekerheid van ons heil niet een schone wijze van troost ? Zij is een zien van licht Calvijn geeft ons een uitnemend beeld van de schoonheid der Uitverkiezing. God openbaart Zich in het diepst van onze ziel en ziedaar schone spiegels en levende schilderijen, waarin Hij Zich toont.

De genade schept door haar natuur een innige melodie tussen God en ons. De genade voegt aan de uitverkiezing een nieuw element van schoonheid toe tussen God en de ziel, die door de roeping der heidenen heel de wereld der mensheid zal omvatten. Het werk der heiligmaking zal er in bestaan, dit accoord te onderhouden en te verbreden, opdat de ziel van stap tot stap er toe gelangt, deel te hebben aan de grootse symphonie, die het geschapen heelal vormt.

De straling van de glans van dit heil roept in de ziel een ware verrukking op. De natuur van het geloof is de zang der ziel, die de melodie heeft ontdekt, die God door de uitverkiezing geschapen heeft tussen Zich en haar.

Wij staan hier tegenover een dubbele schoonheid. Schoonheid van God, gezien door de uitverkoornen, zo, dat zij zich geroepen voelen, — en schoonheid der aanrakingen, die voortaan tussen Schepper en schepsel zijn ontstaan.

Daarmee is nog niet ieder stempel van schoonheid een bewijs van zaligheid. De schoonheid vergezelt met haar schittering geheel het werk Gods en als de particuliere genade zich doet gevoelen, is zij tegenwoordig. Maar, vergeten wij het niet, zij is ook tegenwoordig, als God zijn algemene genade bewijst — en die ontvangen alle mensen.

De attractie, die wij natuurlijk ondervinden door de uitwendige pracht, is voor Satan een machtig wapen en indien al de uitverkiezing zich manifesteert door aesthetische resultaten, daarom is ieder zien van schoonheid nog geen teken van de beslissende keuze Gods.

Het geloof profiteert van de goddelijke glans, gelijk wij van de zonnestralen genieten. Tussen rechtvaardiging en geloof schept zich een nieuwe betrekking van schoonheid. De gemeenschap is groot tussen geloof en geestelijke schoonheid. Maar Calvijn gaat nog verder: De schoonheid, die de algemene activiteit Gods vergezelt, zelfs in haar meest uitwendige manifestaties, is geen obstakel voor het geloof. Zij zou het kunnen zijn voor een zwakke ziel, die, getrokken in de netten van de demon, in deze schoonheid een aanleiding zou zien tot het zich scheiden van God. Maar voor wie door God is verkoren, wekt zelfs de uitwendige

Sluiten