Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leer aldus na een bestrijding van die van Thomas van Aquino, die op meer plaatsen in zijn werk terugkeert.

Van Calvijn is wel de onderscheiding der schoonheid in de paradysche, de schaduwachtige en de strijdende (paradisiaque, ombratilé, militante).

't Is hier misschien de plaats even onder ogen te zien, de in het begin van het volgende hoofdstuk gemaakte opmerking ten opzichte der bestaande literatuur over Calvinistische aesthetiek: de tweede dus over dit onderwerp.

Wencélius kent geen studie over het probleem der schoonheid in de denkwereld van Calvijn. Er zijn enkele over zijn houding t.o. der kunst. Zo in Nederland een rectorale rede en een verhandeling door A. 'Kuyper, aan dit onderwerp gewijd.

Hij dikt hier nog eens op bedenkelijke wijze aan de uitspraken van pag. 9 zijner inleiding, door mij boven reeds gewraakt. Hier beweert hij — (en nog schijnt hij den titel van Kuypers schitterende rectorale rede niet te kennen, hoewel hij nu toch weet, dat het een discours rectoral en geen inauguration was): „Geen enkele dezer auteurs heeft getracht van de gedachte van de Reformator een geheel te maken in zijn algemene conceptie van het universum. Dat komt, omdat al deze studies zijn opvatting van het schone niet kennen"

Stoute taal, voor wie de diepste en omvattendste dier studies niet kon lezen, althans niet las. Had hij dat wel gekund en gedaan, dan zou hij ontdekt hebben, hoe Kuyper reeds een halve eeuw vóór hem Calvijns schoonheidsleer heeft doorgrond (al heeft hij zijn gegevens daarvoor niet alle geboekstaafd, zoals ^Vencélhis daarvoor de tijd had), waarin hij de revolutionaire der 18e eeuw in hoogste instantie heeft weerlegd.

Om Het Calvinisme en de Kunst te kunnen schrijven, heeft Kuyper gedaan, wat 'Wencélius heeft gedaan en heeft het gedaan met de inzichten in Calvijns werk èn in de wijsbegeerte der 18e eeuw, waardoor hij werkelijk de kentheoretische grondslag voor een Calvinistische aesthetiek heeft gelegd. In dat geheel van Kuypers aesthetische wetenschapsleer, onderdeel van zijn universeel denksysteem, ontwikkeld in het II deel zijner Encyclopaedie der

Theologie, is voor het werk van Wencélius een schone, maar

ondergeschikte plaats,

We zijn nu gekomen tot het tweede hoofddeel van Wencélius' studie: De kunst en de algemene genade. Het eerste hoofdstuk daarvan behandelt:

a. De kunst in het algemeen.

Calvijn verdeelt, zoals men dat in de Middeleeuwen deed, de

Sluiten