Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om het oog te houden op de bewegingen van het volk en hun geschillen te beslechten. Eens op den vooravond van een Paaschfeest, toen Pontius Pilatus op den rechterstoel zat, kwam de joodsche overheid tot hem in gezelschap van een gewapende bende, in wier midden zich Jezus van Nazareth bevond. Zy eischten bevestiging van het door hen gevelde vonnis. Maar Pilatus wenschte te weten op welken grond hun beschuldigingen rustten en wat dien gevangene des doods waardig maakte. Op hun trotsch bescheid: „Indien deze geen kwaaddoener was, zoo zouden wy Hem u niet overgeleverd hebben," 13) nam Pilatus de zaak zelf in handen. De joodsche overheid en het volk stond voor het romeinsche Rechthuis op de plaats Gabbatha en wachtte met spanning op de eindbeslissing.

TEN slotte trad de landvoogd met den gevangene weder naar buiten en verklaarde Pontius Pilatus: „Ik vind geen schuld in dezen mensch." 14) Dat werkte als olie op het vuur. De door de joodsche overheid opgehitste schare geraakte buiten zich zelf van opwinding. En Pilatus zag, dat zyn verdediging tevergeefs was. Toen nam hy water en waschte voor de oogen des volks de handen met de plechtige verklaring: ,Jk ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gylieden moogt toezien." 1S)

OP dit noodlottig oogenblik heeft ons volk dat huiveringwekkend woord gesproken: „Zyn bloed kome over ons en over onze kinderen!" En daarmee heeft ons volk zijn nationalen ondergang onderteekend en een verantwoordelijkheid op zich geladen, waarvoor zelfs zulk een verharde heiden als Pilatus met ontzetting terugdeinsde. En het is deze, zoogenaamde verborgen misdaad, die door ons joodsche volk als zoodanig nog nooit is beleden.

1S) Joh. 18 : 30. ") Luc. 23 : 4. ") Matth. 27 : 24.

Sluiten