Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar danken wij God, die zóó veel ons wou schenken I Het is óók gepast, wij, die vrienden gedenken, Die eenmaal Gods liefde toen dreof, Om Israels gruis, d' eenige Naam weêr te brengen, Wier drager Zijn bloed aan het Kruis wilde plengen, Dat is het! waarnaar ik thans streef.

HERINNERINGEN.

Is 't cijfer van 'n kwart millioen niet een teekeu, Dat 't zaad van dat bloed, na twintig eeuwen gaat spreken Tot Christnen uit der Heidenen stam 1 Dat vroeg: is 't tot dank waarvoor'k u ben gegeven, Toen Isrel als volk, door zijn vloeken moest sneven, Als straf voor het slachten van 't Lam!

Hiep toen niet dat Lam : ach wtl hen verschoonen ! Moet Jafeth dan blijvend in Sem's tenten wonen! En wordt er, mijn volk slechts geduld! O Christnen! betaalt ge uit dank voor mijn sterven, Voor u, dan met haat aan die moesten erven Moet Profetie gij zoo dan vervuld!

Neen ! klonk een stem uit Schotland hier henen! Neen 1 riep - die stem ! wij hooren het weenen Van 't nakroost van Abrahams zaad! Neen! riep die stem, wij zullen God bidden, Hij zende Zijn Geest, Abramszaad in het midden! Hij schenk' ons Zijn hulpe en raad!

d' Eerwaarde Cabl Schwabtz werd naar Holland gezonden

Daar heeft hij voor Isrol een zending gevonden.

Met Domme* Chb. 1'auli aan 't hoofd!

Diens zending was 't werk der Episcopalen,

Die óók vap vrucht op dat werk kon verhalen!

Van gedoopten ! de Heere zij geloofd.

Ook heeft Dr. Schwaetz, Vrienden Isrels gevonden 1 Van Abrahams zaad, ook gedoopten en ongeschonden ; Vol vuur! Levenslust en ook kracht, Het is van den dichter Da Costa dat ik spreke! Den- vurigen Geest! bij wien niets zou ontbreken, Zoo had hij „het woord" in zijn macht.

Sluiten