Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is er voor ons dan geen reden tot roemen P

Daar 'k ruim zeventig namen mocht noemen,

Van vrienden van Israëls gruis 1

Die blijk gaven dat zij de Heere beminden

Met recht op den naam van «Israëls Vrinden",

Meest zijn zij bij Vader te huis.

En moeten wij allen Gode niet prijzen,

Kon ik, dan sou 'k op meer nameu u wijzen,

Wier hart door den dood niet meer slaat,

Doch die nu te zaatn Isrels Heer mogen loven,

Zij juichen en zingen te zamen hier boven,

Waar elk, die God dient, henen gaat.

En wat is de vrucht voor al hun bemoeien,

Zag men dan het aantal bekeerden hier groeien,

In 't geloof aan hun Heiland en Heer.

En zag men dan d' uitkomst op al hun' gebeden,

Gezonden naar boven, om Jerusalems vrede,"

Tot heil van het volk van weleer.

Neen, 't zijn er geen duizend wier name ik noeme,

Toch zijn er mijn vrienden die thans samen roemen,

Voor den troon van 't geslachte Lam.

Die tot sieraad der kerk, wier leden zij waren,

Op hun beurt weêr trachtten zielen te garen,

Met het vuur zoo eigen aan hun stam.

Dan zijn er ook, de stillen in den lande,

Met gebogene knieën, gevouwene handen,

Die God dienen, in Jezus Zijn Zoon,

Die hoe men smaadt, of ook hen verachten,

Alleen van den Heiland hun heil blijven wachten,

En dragen geduldig dien hoon.

Doch zie ik terug naar d' eerste gedoopten, Eene dochter uit Isrel, die zoo gaarne hoopte, Dat de moeder in 't geloof volgen zou. En zie, slechts een korte wijl na haar belijden, Wou God, ook de moeder van zonden bevrijden, Waar de doop dat bezegelde als trouw.

Nu volgde de zuster; en zij met hun drieën,

Beleden den Heiland altijd op hun knieën,

Tot eere en roem van hun God!

Die altijd hen steunde, die Zijn naam zal verheffen,

Geen pjjl van den vijand zal 't harte hen treffen,

Die luistren naar 's Heeren gebod.

Sluiten