Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is thans zeven jaren

Dat gij werd ingeleid Door Doop in de Gemeente,

Die zooveel Heil bereidt. Ook 't Wilmshuis kan getuigen

Des winters van uw doen, Hoe gij met warme liefde

Dan spreekt van Jezus zoen, Wanneer der arme vrouwen,

Men koffie biedt en brood, Dan zingt of wel dan spreekt ge,

Van Dog een andren nood, Die enkel Hij kan leen'gen

Die voor hen leed aan 't kruis, Hij is het, Hij de Een'ge,

Die schenkt ons 't Vaderhuis. Heer Exel kan getuigen,

De man die blinden mint. Ook van hem is te zeggen :

Hij is des Heeren kind. Dat gij met hart en ziele

U aan den Heere geeft, Gaarn' and'ren óók wilt redden,

Dat ge altijd daarnaar streeft. Roeds twee en een half jaren

Werkt gij met Braille stift. Op schrijfmachien vertaalt ge,

Kan 't zijn de Heil'ge Schrift. Dat, met uw zwakke lichaam,

Bewijst: God geeft uw kracht, ' Vervulling der belofte,

Beloofd aan ons geslacht. De Heer zal u goleiden,

U, van elk troetelkind, Hij blijv' u Heil bereiden,

Hij blijv' u welgezind.

Sprak ik telkens van gedoopten,

Die thans zijn in 't Vaderhnis, Nu spreek ik van een, die hoopte

En die zag op 's Heeren kruis, Doch die zoo als Roomschen 't noemen,

Slechts de «Bloeddoop" onderging! Toch mocht hij in Christus roemen,

Die voor hem aan 't kruishout hing. In 't gasthuis, dat naar de Vorstinne

n WiIiHBLmina" heeten mag,

Sluiten