Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu nog een dank aan die tbans leven, In korte woorden weêr gegeven; De Zendelingen die ons leerden, En die het meest met ons verkeerden.

Ik denk eerst aan het Jubilee,

Van Broeder Kobff ; hoe allen meê

Met mij dien kwarteeuw zaam herdachten,

Hoe een verrassing hem toen wachtte,

Van die uit Isrel zijn vergaard ;

Als dank van ons, deez' vriend zoo waard.

Voor wat hij in dien tijd ons deed,

Hoe deelde hij in lief en leed,

Dat alles wilde men vergelden,

Aan die belang in allen stelde,

Hoe gaarne hadden wij 't Bestuur

Gevraagd, in dit zoo feestlijk uur,

Doch waarom 't toen werd nagelaten,

Weet ik niet meer, 't zou ook niet baten.

Ter zake dus. Ik ga verhalen

En wil mij dan ook slechts bepalen,

Tot feiten. Stil had men vergaard,

En deez' verrassing dus bewaard,

Tot aan den tijd van Zilverfeest;

Wat is er toen een vreugd geweest.

De kind'ren hebben toen gezongen,

Met luide stem uit volle longen;

De ouden hebben 't ook gedaan.

Met zegeningen overlaan

Werd broeder Kobff met 't huisgezin

En ieder stemde daarmeê in.

*) Drie liederen voor dat doel gemaakt Heeft Jubilaris 't hart geraakt; Het blijk van liefde hem gegeven, «Bewaar ik", zei hjj, //heel mijn leven."

O Broeder, blijf ons steeds geleiden, De Heere zal uw loon bereiden.

Broeder Van Os, zijn evenknie, Dien ik ook gaarne hulde biê, Ook uw feest werd door ons herdacht, Al hadt ge 't niet van ons verwacht.

*) 2e Bijlage.

Sluiten