Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houding, die wij als niet-Joden tegenover hen hebben aan te nemen, worden wij zeer bijzonder onderricht in Jeremia 30. Zoo spreekt oju vers 15 van hun toestand: „Wat krijt gij over uw breuk, dat uw smart doodelijk is? — Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uwe zonden machtig vele zijn, heb Ik u deze dingen gedaan." — Vers 16 vervolgt dan echter met betrekking tot de houding der niet-Joden: „Daarom, allen die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uwe wederpartijders, zij zullen gaan in de gevangenis"....

Tenslotte herinneren wij nog aan een woord van Jezus omtrent den tegenwoordigen toestand van de Joden n.1. „Zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken" (Luk. 21 : 24). We denken echter ook aan zijn woord tot de sigengerechtigen: „Wie van U zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar"....

Uit het bovenstaande is duidelijk:

a. Het volk der Joden staat onder Gods kastijding en vloek.

b. Wanneer God zijn volk kastijdt, mogen wij het niet hooger opheffen, dan God Zelf op 't oogenblik doet, en hunne zonden niet vergoelijken.

c. Maar anderzijds kunnen wij niet ongestraft Gods taak om het volk te kastijden overnemen. Hierdoor komt Gods vloek en straf over ons.

d. Al» Christenen hebben wij de Joden te beschouwen als beminden om der vaderen wil (Rom. 11 : 28) en hen lief te hebben niet om hunszelfs, doch om Gods en Christus' wiL

?. Mogen wij op grond van Gods Woord, wenschen en verwachtingen koesteren voor de toekomst van het joodsche volk?

Juist leraëls tegenwoordige toestand is een der sprekendste bewijzen van Gods trouw jegens zijn volk. Had God zijn volk losgelaten, dan had Hij hen behandeld als andere volkeren en zou Hij hen niet zoo bijzonder kastijden. En daarom is het juist hun verdrukking en vloek, die grond biedt voor de verwachting van hun toekomst Treffend is het dan ook, dat op alle profetieën, die hun vloek voorzeggen, ook de belofte volgt van herstel.

Zie b.v. Lev. 26 : 44: „ als zij in het land hunner vijanden zullen

zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende mijn verbond met hen; want Ik ben de Heere hun God!"

Zie Deut. 30 : 3: „De Heere, uw God, zal uwe gevangenis wenden, en zal Zich uwer ontfermen; en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere, uw God, verstrooid had."

Zie Jer. 30 : 7: „O wee! want die dag is zoo groot dat zijns gelijke niet

Sluiten