Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xxvm.

Dr. H. SCHOKKING, NED. HERV. PRED., 's-GRAVENHAGE (Extract uit een artikel in de rubriek: „Uit de kerkelijke wereld" van de 's-Gravenhaagsche Kerkbode, dd. 7 Nov. 1936)

Deze vragen te beantwoorden, is wat de groote lijnen betreft, niet moeilijk. In onuitwischbaar schrift staat te lezen: „beminden om der vaderen wil"En in zooverre Israël als eigen volk te zien is, is het niet uitgesloten buiten den kring, getrokken door het bevel des Heilands: dat Zijn Evangelie aan alle volken gepredikt moet worden. Zoo heeft de Gemeente des Heeren, het ook in onze omgeving, zij het dan gebrekkig, beseft.

Romeinen 11 blijft het uitgangspunt naar vs. 15: indien hunne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen anders dan het leven uit de dooden? Onze „houding" staat aangegeven in vs. 17 en 18: indien gij, een wilde olijfboom zijnde in de plaats der natuurlijke takken zjjt ingeënt — zoo roem niet tegen de takken. De belofte is onweersprekelijk: vs. 23: „ook zij, de Israëlieten, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden."

Dat hiermede niet op elk onderdeel der vragen een welomschreven antwoord gegeven is, — alleen wie niet nadenkt kan dit bevreemden.

Het is niet zonder beperking van strakke benauwenis, als de eerste vraag door „Elim" ons voorgelegd luidt: hoe moet onze houding zijn tegenover het huidige Jodendom? Al kende het Jodendom in den apostolischen tijd ook z'n secten en elkaar bestrijdende stroomingen —, toch is de toestand nu zoo totaal anders, dat vooral in verband met de volgende vraag: omtrent wenschen en verwachtingen voor de toekomst van het joodsche volk op grond van Gods Woord — niet zonder meer een bepaald antwoord te geven is.

Als wij naar 's Heeren beloften voor Israël een toekomst mogen verwachten, blijve dat meer naar de geestelijke bekeering tot den Christus der Schriften georiënteerd, dan dat het ons leide tot direkte uitspraken over nationale aspiraties in den trant van tegenwoordig.

De Gemeente van Christus is bovendien de ware internationale.

Even sterk als de grondstelling, dat in Christus noch Jood, noch Griek, noch Scyth, noch Barbaar is, het tegenwoordig anti-semitisme bij Christusbelijders uitsluit, laat bet ook niet toe, dat „de Jood" toch afzonderlijk een plaats behoudt tegenover al de andere christenen. Welke dan de taak der Gemeente van Christus ten opzichte van de Joden is, — en hoe die vervuld moet worden, zou ik bier en nu niet nader willen omschrijven. Te herinneren aan het zendingsbevel, in eenvoudigheid des geloofs en in den weg der christelijke liefde te gehoorzamen, moge voldoende heeten. Dat daarbij

Sluiten