Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook hebben wij door hun bemiddeling de Heilige Schriften. En, wat meer zegt, den Christus.

2. Op grond van Gods Woord zal de verharding, die voor een deel over Israël gekomen is, blijven totdat de volheid der volken zal zijn ingegaan. Rom. 11 : 25) 2) De blindheid zal dan wijken, het deksel worden weggenomen. (2 Kor. 3 : 15, 16) 3) Onze wensen moet zijn, dat Christus spoedig kome om zijn rijk op te richten. Onze verwachtingen voor het joodsche volk zijn: het herstel. (Rom. 11 : 26) 4)

Onbekeerd zullen echter de Joden naar hun land terugkeeren. Zich scharen onder de vanen van den Antichrist. Maar als Christus komt, zal Hij ze richten. Maar behouden zal Hij al de Joden, die in de verdrukking tot God hebben geroepen. Dat is geheel Israël, dat overblijft, en dat in de zegeningen van 't herstelde rijk ingaat.

3. De Gemeente van Jezus Christus heeft tegenover de Joden als volk geen roeping. Het volk is in dezen genadetijd terzijde gesteld en wordt eerst hersteld, als de Gemeente is opgenomen, en Christus daarna met al de heiligen op aarde verschijnt. Maar de Gemeente heeft wel een roeping tegenover alle Joden als enkelen, zooals tegenover alle schepselen. En hier een éérste roeping. De Apostelen begonnen altijd bij de Joden. Dit is fa» de Gemeente zoo heel anders geworden. De evangelist heeft bijzondere roeping tegenover de Joden. (Rom. 11 : 14) 5)

4. De taak van den evangelist, van elk lid der Gemeente, tegenover de Joden is: ze aantoonen, dat zij hun Messias verwierpen; ze door woord en geschrift op den eenigen Naam wijzen, waardoor onder den hemel alle menschen moeten zalig worden. Hand. 4 : 12) 6) „Want er is geen onderscheid tusschen Jood en Griek; want dezelfde Heer van allen is rijk over allen die Hem aanroepen." (Rom. 10 : 12) 7)

5. De leden der Gemeente, de evangelisten in het bijzonder, moeten die taak volbrengen door uit het Oude Testament te bewijzen, dat Jezus de Christus is, en dat de Christus lijden moest. Vooral Jesaja 53 is een machtig hoofdstuk in dit opzicht. Men leere hier van Paulus, die met groote droefheid en smart dacht aan de vijandschap der Joden tegen Jezus, en in die gezindheid hen zocht te dienen. (Rom. 9 : 2 en 3; 10 : 1) 8)

i) Bom. 11 : 28: Zoo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden om der vaderen wil. =) Bom. 11 : 25: Want Ut Wil niet. broeders! dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bq uzelven). dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der Heidenen zal Ingegaan zijn. •) 2 Kor. 3 : 15, 16: Maar tot den huldigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart;

Doch zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen.

Sluiten