Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de profeet der menschheid te zijn voor het zuivere, onvervalschte monotheïsme.

't Is jammer, dat Luther de houding, die hij eerst tegenover de Joden heeft aangenomen, later liet varen. In 1521 had hij goede hoop, dat de Joden, nu het pauselijk juk was verbroken en het oorspronkelijk Evangelie weder aan het daglicht gebracht, van zelf tot Christus zouden komen. Het beste middel daartoe zou zijn dat de Christenen recht Christelijk leefden. In 1523 schreef hij in zijn opstel „Dat Jezus Christus een geboren Jood is": „Als de Apostelen, die ook Joden waren, zoo met ons heidenen hadden gehandeld als wij heidenen met de Joden, was er nooit een van de heidenen Christen geworden." Twee jaar later is hij evenwel gansch. anders gestemd; een Poolsche Jood, een dokter, was gezonden om hem te vergiftigen, en nu ging hij letten op de verharding der Joden en geloofde niet langer aan de mogelijkheid der bekeering van hun volksgeheel. In die laatste houding volhardde hij, ook tengevolge van smartelijke ervaringen. Zoo had hij b.v. aan drie Joden uit barmhartigheid om Christus' wil een geleibrief gegeven, en hoorde later, dat zij den Christus gevloekt hadden. Nu wil hij (1543 Van de Joden en hunne leugens) niets meer met de Joden te maken hebben; zij zijn, zooals Paulus zegt, aan den toorn overgegeven; hulp maakt ze slechter. Nu gelooft hij aan al de beschuldigingen, die tegen de Joden worden ingebracht, bronnenvergiftiging, kinderdiefstal, bloeddrinken; zelfs stelt hij allerlei maatregelen voor tot hun bestraffing. Een Joodsch hart is zoo stock-stein-teufelhart, dat het niet te bewegen is. Uit Rom. 11 af te leiden, dat nog eens alle Joden tot bekeering zullen komen, is een geheel verkeerde exegese. Alweder is het te begrijpen dat Luther na zijn ervaringen aldus gedacht en gesproken heeft; maar zijn voorbeeld geeft ons niet het minste recht om dezelfde fout te maken, en uit de enkele gevallen een algemeenen regel af te leiden.

Het moge dikwijls moeilijk zijn om het verwijt van I Joh. 4 : 20 te ontgaan, het blijft toch de eisch om den broeder lief te hebben, dien men gezien heeft. Dat is niet alleen de beminnelijke broeder — dien lief te hebben is waarlijk geen kunst —, maar ook den

Sluiten