Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekomen, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzoo zal geheel Israël zalig worden". Wïj moeten dus nu wachten, tot die volheid der heidenen zal zijn ingegaan; dan heeft de Zending onder de heidenen haar taak volbracht, en kan de Zending onder Israël beginnen, die dan het allerlaatste komt. Men moet er de commentaren *) maar eens op nalezen om te zien, hoeveel moeilijkheden deze tekst den uitleggers biedt; voor ons doel is het genoeg om te wijzen op het voorbeeld van Paulus zelf, die wel degelijk ondanks deze uitspraak doorgaat met zijn Zendingswerk onder Israël, doorgaat met zijn inzamelen van de eerstelingen van den rijken oogst, dien hij aan het einde der dagen verwacht.

IV. Alle moeite, die de Zending onder Israël doet, is verloren ; er zijn geen vruchten, althans geen noemenswaarde: zoo luidt het vierde argument» Spurgeon heeft het terecht opgemerkt, dat Petrus wel met zijn eene Pinksterpreek drieduizend Joden kon bekeeren, maar dat tegenwoordig drieduizend preeken ternauwernood voldoende zijn om een enkelen Jood tot bekeering te brengen.

Nu zou zoo'n opmerking toch eigenlijk niet gemaakt mogen worden in het land van een Capadose en een da Costa. Maar zij wordt vaak gemaakt, en daarom is het goed om er even bij stil te staan. Onze Br. van Os heeft in 1905 een Lichtstraal geschreven, over: „De minst bekende, en toch de rijkst gezegende", waarin hij aantoonde, dat de vruchten der Zending onder Israël talrijker zijn dan die der Zending onder Heidenen en Mohammedanen, als men het percentage in aanmerking neemt. De laatste getallen, die mij onder de oogen kwamen, zijn aan bekeerlingen jaarlijks 5000 Joden tegenover 200.000 heidenen, wat wijst op een verhouding van 5 :3. Maar ik hecht geen groote waarde aan deze statistiek, noch in de eene, noch in de andere Zending; ik weet niet, hoe zij opgemaakt is, en evenmin, of ik de bekeerlingen inderdaad bekeerlingen noemen mag. Maar een ander cijfer is wel te vertrouwen en kan niet nalaten indruk te maken op onzen

*) Ik noem hier alleen G. Doekes: De beteekenis van Israëls Val. Commentaar op Romeinen IX—XI. E. J, Bosch Jbzn., Nijverdal 1916.

Sluiten