Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den grond gaan bebouwen, dien het rijk hun daarvoor afstaat Het gebed en het Woord, zijn de rechte middelen om hen lot bekeering te brengen. Daartoe moeten zij de prediking aanhooren, die bijzonder voor hen gehouden wordt, doch het is hun niet verboden om tegenwerpingen te maken. Alle arbeid moet geschieden in den geest der liefde, maar tot den doop moet niet spoedig worden overgegaan, en de verwachting moet men niet hoog spannen."

Men ziet, dat Spener heel verstandig over de zaak dacht — later kwam hij ook tot het inzicht, dat het gedwongen preekhooren niet aanbevelenswaardig was en meer schade dan nut stichtte —, maar persoonlijk heeft hij toch weinig voor de Joden gearbeid. Wel heeft zijn woord groote belangstelling gewekt in de piëtistische kringen, die dan ook den Vader der Zending onder Israël, J. H. Callenberg, hebben voortgebracht. In 1727 als extraordinarius aan de universiteit te Halle verbonden, openbaart hij dadelijk zijn bijzondere liefde voor de Joden-zending door een drukkerij te stichten, waar een door zijn leermeester Magister Joh. Muller in Joodsch-Duitsch geschreven boekje „Licht am Abend" gedrukt werd. Het boekje, bedoeld als traktaat, verscheen onder den naam van Jochanan Kimchi (Hebreeuwsche vertaling van Müller), werd in het Engelsch, Italiaansch, Nederlandsch, Duitsch en Fransch vertaald, en wordt nu nog door de Londensche Zending verspreid. Uit de drukkerij vloeide de stichting van het Institutum Judaïcum (1728) voort, dat middelpunt zou worden van Jodenzending, ook ter verspreiding van zendingsliteratuur en verzorging van proselieten. Toch heeft Callenberg met al zijn hartelijke liefde niet zooveel tot stand gebracht, als redelijkerwijze kon worden verwacht. Het ontbrak hem, eigenlijk het geheele piëtisme, aan durf; in zijn bescheidenheid, die hem ook niet toeliet van Missionare, maar alleen van „reisende Mitarbeiter" te spreken, wilde hij niet alleen alle reclame vermijden, doch durfde hij ook het werk niet uitbreiden. Toch was het niet kwaad gezien, dat vanwege het Institutum niet gedoopt werd; dit werd aan de Kerk overgelaten. Evenmin was het onpractisch, dat niemand voor het leven werd aangesteld ; de bedoeling was, dat die „reizende mede-

Sluiten