Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Studenten-leven is niet een 5-jarige of 7-jarige periode van louter genoegen en van louter „vrijheid", die gekocht wordt tegen de prijs van zoo nu en dan een examen. Student-zijn, dat beteekent studie-verlof ontvangen van de maatschappij, van je ouders, van God, op een leeftijd, waarop anderen reeds ingeschakeld zijn in het practische leven.

Daarom is aan het begin van de studenten-tijd de waarschuwing niet overbodig om de werktijd niet te laten dalen tot die van je broertje op de Fröbel-school.

Er zijn in de studenten-tijd zooveel mogelijkheden om op allerlei manieren je tijd te verknoeien, dat veel jonge studenten inderdaad zelfs minder tijd aan hun studie besteden, dan bovengenoemde leerling van de Fröbel-school.

Veel eerste- en tweede-jaars studenten hadden als gymnasiast meer belangstelling voor studie, meer geestelijke beschaving en zin voor algemeene ontwikkeling dan nu als student, hoewel dat een contradictio in terminis schijnt!

Nu meent wellicht de een of ander, dat deze opmerkingen alleen bedoeld zijn als een aansporing om vooral aan vak-studie te doen.

Natuurlijk is vak-studie primair.

Academici, die van alles wat weten, behalve van hun vak, zijn belachelijke globetrotters in het rijk des geestes, die heel de wereld van het denken oppervlakkig kennen, behalve die, waarin ze het meest thuis moesten zijn.

Toch is het totaal onjuist te meenen, dat men recht heeft op de naam student als men zich beperkt alleen tot zijn eigen vak en als men altijd loopt met de oog-kleppen der détailstudie.

Prof. Dr Is. van Dijk heeft er in zijn „Vota Academica" op gewezen, dat het gevaar van éénzijdige vakstudie dit is, dat men „ëénkennige kinderen wordt op de armen van Vrouwe Wetenschap".

Zulke éénkennige kinderen loopen er op het oogenblik in grooten getale rond aan onze academies. Nu de maatschappelijke perspectieven van de „hoofd-arbeiders" in veel opzichten zoo benauwend zijn, neemt het getal van hen, die haastig de paragraphen van hun studie-vak verslinden om maar gauw klaar te zijn, dagelijksch toe. Ze hebben geen tijd voor ruimere belangstelling, of liever, ze gunnen zichzelf daarvoor de tijd niet. Ik geloof, dat men zichzelf met de meeste aandrang tot de orde moet roepen, als men deze neiging bij zichzelf ontdekt, want door deze enghartigheid en beperktheid van blik doet men te kort aan

Sluiten