Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13* Zelf de liederen goed te kennen, die gezongen worden.

X. WAAR EEN LEIDSTER STEEDS AAN DENKEN MOET.

1. De namen van alle kinderen kennen.

2. Zooveel mogelijk op hun eigenaardigheden letten.

3. Haar eigen groepje steeds in het oog houden, doch tegelijk zich deel van den geheelen dienst weten.

4. Steeds zorgen dat haar groepje rustig en prettig er bij zit.

5* Een wat moeilijker of schuchter kind naast zich nemen.

6. Altijd het voorbeeld geven met opstaan, zitten gaan, handen vouwen, enz.

7. Steeds de liederen verzamelen na het zingen en bij zich houden.

8. Bij de collecte zelf meezingen en toezien, dat de kinderen hun gaafj es geven.

9. Bij het vertellen, niet te zacht, ook niet te luid spreken. Altijd wachten met vertellen

tot het ordelijk is rondom. Eerst even van de

vorige keer vragen als inleiding. De kinderen goed aanzien, om beurten. Altijd ze allen er bij houden.

10. Bij de expressie de kinderen zelf het meeste laten doen. Slechts hier en daar wat aangeven. De verlegen kinderen vooral gelegenheid geven om ook iets te verrichten. Goed toekijken wat de kinderen verkeerd hebben begrepen. Dadelijk dan beter uitleggen. Iets aanvullen dat hij het verhaal vergeten is. De expressie is een uitstekende maatstaf of men goed verteld heeft en correctiemiddel.

11. Bij verjaardagen, en zoo hartelijke belangstelling hebben.

12. In alles de hoofdleid(st) er goed helpen.

XI. WAT MEN VOOR EEN WESTHILLDIENST NOODIG HEEFT.

1. Een gezellig lokaal (vroolijk, met veel Echt).

2. Liefst kleine stoeltjes (de oud-Hollandsche keukenstoeltjes zijn de geschikste; goedkoopere en lichter van kleur stoeltjes zijn verkrijgbaar te Maarssen, J. Hoogendoorn).

3. Veel platen (uit de Nelson- of Shaw-Serie, of

Sluiten