Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoven; we zullen lekker brood en koeken bakken.

(Ruth zoekt op den grond; ze vindt enkele aren). Boaz (gaat naar de maaiers): Wie is dat? Een van de maaiers: Weet U dat niet? Ziet U dat witte huisje? Daar woont Naomi. Ze is heel lang weg geweest, maar nu is ze weer terug en deze jonge vrouw is met haar meegekomen. Nu wonen ze samen in 't witte huisje. Een andere maaier: Lang geleden groeide er geen koren hier op het land, toen is Naomi weggegaan naar een ver land met haar man en twee zoons. En in dat verre land zijn haar man en haar beide zoons gestorven. Toen is zij teruggekomen. Gelukkig is de vrouw van haar zoon met haar mee gegaan. Zij heet Ruth. Ze heeft gezegd: ik blijf bij U altijd, ik laat U niet alleen. En nu gaat zij koren zoeken voor Naomi.

Boaz: Dat is aardig van haar.

(Gaat naar Rum toe). Je mag wel koren zoeken

hoor, zooveel je maar wilt.

Ruth: O, U is erg vriendelijk voor mij en ik

ben niet eens een vrouw van Uw volk, ik

ben een vreemde vrouw, uit een ander land. B o az : Ik weet het wel, de maaiers hebben het me verteld.

(Nu tegen de vrouwen). Laat maar stilletjes

wat koren vallen dan vindt Ruth veel.

De verteller: Het is avond geworden,

Naomi en Ruth zijn alleen.

Naomi: Nu zijn we niet arm meer, nu hebben

we een heeleboel koren. Daarvan kunnen we

lekker brood en koeken bakken.

Wat ben ik blij Ruth dat je met me meegegaan

bent. Ik zou anders zoo alleen zijn.

Ruth: Ik bujf altijd bij U. Ik wil God ook

liefhebben net als U en ik wil Uw volk ook

liefhebben. Uw volk is mijn volk en Uw God is

mijn God.

De verteller: Nu is Ruth weer alleen op het veld.

Boaz: Ruth, ik zie je eiken dag aren zoeken voor Naomi, je zorgt zoo goed voor haar! Ik houd ook veel van je, Ruth, wil je met me trouwen?

Ruth : Ja Boaz!

Sluiten