Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar hoe kan het ook anders? Als de bodem Gods in de harten der menschen en volkeren wordt verwoest, moet die grond van een paradijs worden een woestenij, een chaos, waaruit deze doornen en distelen welig opschieten: gemor, oproer, oorlog, terrorisme, doodslag, revolutie, immers: volkssouvereiniteit. Dan doet een ieder als in 't Richteren-tijdperk, of als nog heden op Nieuw-Gunéa onder de Papoea's, „wat goed is in zijne oogen", en zien wij het zoo gewraakte paganisme in levenden lijve om ons heen.

Maar gezegend, dat ook in dit opzicht de Zondagsschool, dat eenvoudige werk, veel machtiger invloed heeft geopenbaard dan men had vermoed. Trouwens daar heeft een godvruchtig onderwijzer, eene ernstige onderwijzeres getracht er de tevredenheid en de trouw in te houden, daar is kennis van Gods Woord gekweekt, eerbied voor Gods beschikking gewekt, en is de zuurdeesem des Evangelies bezig geweest, onzichtbaar maar met kracht, van het deeg voedzaam brood te maken. De onderwijzer op de Zondagsschool heeft daarbij den indruk gegeven, dat hij zelf buigt voor het hoogste gezag, dat van God, en de vrucht van zijn arbeid is deze, dat te midden van een geslacht, 't welk slechts snakt naar en dweept met „brood en spelen" en alle gezag wel zou willen omverwerpen en uitschudden, er eene schare bestaat, bij wie dat monster, de anarchie geheeten, zijne tanden niet heeft gezet in het jonge vleesch en zijne vernielende klauwen nog niet heeft geslagen in de teederste deelen van het opkomend geslacht. Dat is de schare van jonge menschen, die opgroeit met dit lied in het hart:

„Zij zullen het niet hebben, „de goden van den tijd! „Niet om hun erf te wezen, „heeft God het ons bevrijd!" *)

!) Mr. I. da Costa.

Sluiten