Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de „Zuider Kerkbode", na gewezen te hebben op de noodzakelijkheid der huiselijke godsdienstoefening, speciaal met de kinderen: „doch ik weet niet, of dit wel in één huisgezin geschiedt."

In 1901 sprak Ds. A. Littooy van Middelburg op Jachins jaarvergadering: „Doch wij mogen, zullen wij practisch zijn en met de practijk rekenen, ook niet vergeten, dat vele ouders geen kennis, geen tijd, en ach! ook wel geen lust hebben, om overeenkomstig de Doopsbelofte hun kinderen te onderwijzen."

Dat zijn getuigenissen van mannen van naam, van mannen die het weten kunnen.

En het allerergste is wel, dat het niet bij een vermoeden, zelfs niet bij een sterk vermoeden blijft, maar dat onomstootelijk vast staat, dat deze beschuldigingen de volle waarheid bevatten. Dat kan met cijfers worden aangetoond.

Aan de Gereformeerde Zondagsschoolvereeniging „Jachin" komt de eer toe, deze zaak eens degelijk onderzocht te hebben.

In 1901 stelde zij een enquête in bij de Geref. Kerkeraden en Zondagsschoolbesturen, hun o.m. de volgende vraag ter beantwoording voorleggende:

„ls u gebleken, dat ouders, die hun kinderen niet naar de Zondagsschool zenden, of die hen van de Zondagsschool afnamen, op den dag des Heeren, of op andere tijden zeiven opzettelijk zorge besteden aan de christelijke onderwijzing hunner kinderen?"

Met welk gevolg? Van de ruim 600 kerkeraden hebben 400 „Jachin" vruchteloos op antwoord laten wachten. En ook hier is van toepassing, dat zwijgen soms zeer welsprekend kan zijn. Indien deze zwijgende kerkeraden een bevestigend antwoord op bovengenoemde vraag hadden kunnen geven, ze zouden het hoogst waarschijnlijk niet achterwege gelaten hebben, en dat te meer, omdat men in die dagen, (een kwart eeuw nu geleden), waarin de Zondagsschool toch reeds niet in een goed blaadje stond, elk steekhoudend argument zou aangegrepen hebben, om de

Sluiten