Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. HEER, LEER ONS BIDDEN!

Leider: Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Zang:

Oog en hart naar boven, God is in ons midden,

Laat ons diep in 't stof aanbidden!

God is tegenwoordig, alles in ons zwijge,

Dat zijn stem gehoor verkrijge!

Wie Hem mint, als zijn kina,

Buig' zich voor Hem neder,

Geev' Hem 't harte weder.

Maak mij recht eenvoudig, stil in den gebede.

Diep vervuld van uwen vrede.

Maak mij rein van harte, dat ik uwe klaarheid

Schouwen moog' in geest en waarheid.

U alleen, anders geen,

Onzen God en Here O. N. Z. 28.

U zij eeuwig ere. jz' 2l'.

L.: En Jezus zeide: Bidt, en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden.

Jeugd: Want een ieder die bidt, die ontvangt, en wie zoekt die vindt en wie klopt, hem zal opengedaan worden.

L.: Of welk mens is er onder u, indien zijn zoon om brood vraagt, "!lza' *,em tocn 9"een steen geven? Of ook om een vis vraagt, hij zal hem toch geen slang geven? Indien dan gij die boos zi|t, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen goede gaven geven aan hen, die Hem bidden.

Zang: Gij kent steeds mijne noden.

Waarin Gij trouw voorziet. Gij geeft geen steen voor broden. Een slang voor vissen niet/ Wie komt tot U gevloden Dien Gij geen hulpe biedt? Gij laat den zondaar noden, Nog eer hij tot U vliedt. Gez. 194.

Sluiten