Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. ADVENT.

Leider: Verheft, O Poorten, uw bogen, verheft u, gij aloude deuren, opdat de Koning der ere inga.

Zang: O, Gij, wien aard' en hemel zingen,

Verkwik mij met uw heil'gen gloed; Kom met uw zachte glans doordringen O, zon van liefde, mijn gemoed. O. N. Z. ói.

Ui Ik strek mijn handen tot U uit, mijn ziel verlangt naar U als een dorstig land.

Jeugd: Wij wachten op licht en zie het is duisternis, op lichtstralen, maar wij gaan in donkerheid.

Zang:

Het daget in het oosten De duisternis gaat wijken

Het licht schijnt overall Voor d' eeuwenlang* nacht;

Hij komt de volken troosten Een nieuwe dag gaat prijken

Die eeuwig heersen zal. Met ongekende pracht.

De zonne, voor wier stralen Het nacht'lijk duister zwicht, En die zal zegepralen,

Is Christus, 't eeuwig lichtl O. N. Z. 62b.

L.: Maak u op, wordt verlicht, want uw licht komt, want des Heren heerlijkheid gaat over u opl

J.: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien!

L.: En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet overmocht.

Zang:

Daar is uit 's werelds duist're wolken Een licht der lichten opgegaan. Komt tot zijn schijnsel, alle volken En gij, mijn ziele, bidt het aan! Het komt de schaduwen beschijnen, De zwarte schaduw van den dood. De nacht der zonde zal verdwijnen; Genade spreidt haar morgenrood! Gez. 229 : 1. L.: Baant in de woestijn een weg voor den Heer, effent in de wildernis een heirbaan voor onzen God.

Zang-.

Hoe zal ik u ontvangen, Uw Sion strooit U palmen

Hoe wilt Gij zijn ontmoet? En twijgen voor uw voet,

O, s werelds hoogst verlangen, En ik breng U in psalmen Des sterv lings zaligst goedl Mijn jubelende groet.

Dat ons yw geest verlichte, Mijn hart zal 't feestkleed dragen Houd zelf de fakkel bi[. Van altijd jeugdig groen,

Die, Heer, ons onderrichte, En van uw lof gewagen.

Wat U behaag'lijk zij! Zo veel mijn lied kan doen.

Gez. 270 : 1 en 2.

Sluiten