Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden. Neen, hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware „School met den Bijbel". En waar die niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het Nieuwe Testament uit het hoofd."

Hier hoort ge nu, dat de woorden van den Bijbel het niet doen — er is geen magische kracht in — maak ze niet tot amuletten. Niet het Woord moet het doen — maar de geschikte onderwijzer — de Christelijke Christen.

Maar we lezen verder:

„Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen en gezangen geleerd heb, en niet alleen wil ik tot mijn collega's van de Christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg; maar zelfs zou ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen een levenvormende kracht bezitten.

Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt:

Zalig hij, die in dit leven

Jacobs God ter hulpe heeft, Hij, die, door den nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft. Die zijn hoop in 't hachlijkst lot

Vestigt op den Heer zijn God.

Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij bewust makende, en de nood werd een zegen."

Hier is het dus wel de macht der woorden.

Eenige jaren later zit Ligthart in de Kinderkerk. Hij spijbelt vaak en leert niets Buiten de kerk is het veel beter dan erin. Toch heeft hij één herinnering.

„Eén ellende heeft me echter te zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan? Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende, dat een kind niet tot God kon worden gebracht, dan door het hellevuur?

Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde, wist ik maar al te goed. Ik moest dus, ik möèst — neen niet verbrand worden, maar eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die folterende pijn, nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.

O, die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug naar het niet geboren zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal, dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven

Sluiten