Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baatte niet. De dood was de overgang tot eindelooze marteling * van nooit verterende vlammen.

Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde, dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif, dat begon te werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft afgehouden. Ze bedierf veel en maakte niets goed.

Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?"

Ook hier doen de woorden het dus weer wel.

Nog een anderen trek van Ligtharts Zondagsschool-onderwijs wil ik onder uwe aandacht brengen. Ze staat in de verspreide opstellen, 2e bundel, blz. 110, (er is sprake van de gelijkenis van den Verloren Zoon). Ligthart zegt:

„Toch is deze trek van vaderliefde niet het eenige, wat ons deze gelijkenis zoo geliefd maakt. Heel in 't begin komt in de houding van den vader iets naar voren, dat niet minder opmerkenswaard is en door velen wordt voorbijgezien.

Wanneer de zoon zegt: „Vader, geef mij mijn kinderlijk erfdeel", hooren we alleen, dat de vader het goed onder de twee verdeelde. En wanneer de jongste zoon daarna ver weg reist naar een vreemd land, hooren we niet, dat zijn vader hem dit verbood.

Deze houding van den vader is zeer zeker ongewoon. Zullen er veel vaders zijn, die zonder bezwaar hun kinderen het hun toekomende geld uitbetalen? Zullen de meesten zich niet gegriefd toonen, als een ongehuwde zoon, zonder dat zijn zaken het eischen, zijn erfdeel opvraagt? Zal dit niet verwijdering geven tusschen vader en kind? En wat zal daarna de vader doen, als zijn zoon met dit geld de wereld intrekt, om ervan te genieten? Zal de bezorgdheid over de toekomst van zijn kind niet verergerd worden door de vrees voor het verlies van zijn geld? Met het uitbetalen van het kinderlijk erfdeel bracht de vader èn zijn zoon èn zijn geld in gevaar. En toch deed hij het. En we hooren niet, dat hij erbij murmureerde. We hooren alleen, dat hij het deed op het vragen van zijn zoon. De zoon vroeg en de vader gaf. En meent ge, dat de vader de zinnelijke neigingen van zijn kind niet kende? De vader gaf, hoewel hij—ja, misschien wel, omdat hij zijn kind kende; hoewel — misschien, omdat — hij de toekomst voorzag. De vader gaf en liet zijn kind gaan."

„Nog eens: deze houding is ongewoon. Ze is niet menschelijk. Dat durven we niet. Wij zijn te bang voor ons geld en voor ons kind. Wie van ons durft een heel erfdeel te wagen aan de levensvorming, van zijn kind? We zetten liever het kapitaal voor hem vast. En wie durft — de vraag is diep-ernstig, al schijnt ze ongerijmd — wie durft de maatschappelijke welvaart, den goeden naam, de gezondheid van 't kind te wagen aan zijn zedelijk heil? We

Sluiten