Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met eigenschappen, die hen zeer zeker zullen doen vallen en hun daarna die val verwijten en ze ervoor straffen. En dan nog aan te nemen, dat de niet alleen almachtige dit gansch anders had kunnen inrichten, maar de alwetende dit alles reeds van tevoren wist, dat Hij, aleer de menschen in 't aanzijn te roepen, reeds wist, dat zij vallen zouden! Hoe, in vredesnaam, blijft er voor die arme verdoolden, wier lot reeds lang tevoren bepaald was, eenige verantwoordelijkheid over voor bedreven schuld! Indien hier schuld is, dan voorwaar niet bij deze slachtoffers, wier lot was voorzien en voorzegd, en die, door goddelijke almacht gedwongen, door een goddelijk raadsbesluit genoodzaakt, wel moesten vallen! Waren de menschen zondenvrij gebleven, dan ware het goddelijk raadsbesluit niet uitgevoerd. De ongehoorzaamheid in het Paradijs was dus, in eeuwigheidslicht beschouwd, eigenlijk gehoorzaamheid. De eerste menschen gehoorzaamden, en juist door overtreding, aan hetgeen de almachtige reeds van eeuwigheid her besloten had. Maar moest hun die „gehoorzaamheid" dan als vergrijp worden toegerekend ?"

Hierop volgt nog:

„In critiek op geloofswaarheden openbaart zich een zielerichting, en deze is het, die geloovige ouders met angst vervult. Te meer reden voor die ouders, om aan zulke critiek niet het zwijgen op te leggen. Laat de jongeren maar uitzeggen, volkomen eerlijk uitzeggen, wat er in hen omgaat, dan hebben de ouders de beste gelegenheid, invloed te oefenen. Doch ik zou nog verder willen gaan. Laat de jongeren niet alleen zeggen, wat ze denken, maar, kunnen ze niet meer bidden, verplicht ze dan niet tot een huichelend vertoon; voelen ze zich in de kerk niet meer thuis, dwing ze dan niet tot kerkbezoek. Er is geen grooter zonde dan de leugen en terecht wordt Satan de vorst der leugen genoemd."

Deze aanhalingen nu samenvattend, kunnen we misschien tot een conclusie komen.

Achtereenvolgens vernamen we:

U In het Woord van God ligt op zich zelf geen kracht; de persoonlijkheid van den onderwijzer moet er de kracht aan schenken.

Anders te beweren zou zijn Gods Woord vernederen. Dit werd nog geïllustreerd door een feit, waarbij een catechiseermeester de rol van duivel en een atheïstisch hoofd eener school de rol van den Heere Jezus vervulde.

Tegelijk werd uit eigen ervaring meegedeeld, dat in een psalmvers de woorden wel directe macht hadden.

2. Het spreken over den duivel werd met nadruk bestreden en kindergemartel genoemd.

3. We hoorden een eigenaardige toelichting tot de gelijkenis van den verloren zoon.

4. Een verklaring van het scheppingswonder werd beproefd.

5. De twijfel in het kinderhart werd uitgeplozen en als waarheidszin verheerlijkt en bestrijding ervan afgewezen.

Sluiten