Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fel op in de tweede helft dier eeuw, aangewakkerd door de verontwaardiging over de lichtzinnigheid van koning en adel. Het kreeg hier een anti-religieus karakter. De Roomsche kerk had dit in Frankrijk aan zich zelf te wijten. Zij verhief haar stem 'niet tegen de ergerlijkste misbruiken. Zij was niet hei geweten der natie.

In Frankrijk volgde na de gewelddadige groote Revolutie een politieke ontwikkeling met horten en stooten, in democratische lijn. Enkele getallen lichten dit voor de 19e eeuw duidelijk toe. In 1814 waren er in Frankrijk 88000 kiezers; in 1848 negen millioen; in 1849 weer zes millioen; in 1852 kwam het algemeen kiesrecht voor alle 21-jarige mannen. Het bracht ruim 10 millioen Franschen naar de stembus.

Deze blik op de geschiedenis overtuigt ons voldoende, dat de democratiseering een feit is, een levenswet in de geschiedenis der volkeren, en zeker in die van een volk onder den geestelijken invloed van het Christendom, Het dient nergens toe, dat men er tegen sputtert. Noodig is echter, dat bij deze democratie nog iets anders is. Want daar is niets gevaarlijkers voor het volksgeluk en de volkskracht dan de democratie zonder meer. Niets stelt zulke hooge eischen aan een volk als juist democratie. Voor een volk dat er niet zedelijk rijp voor is, beteekent zij de ondergang. Een brute democratie ruïneert de beschaving.

Laat ik op enkele gevaren wijzen:

Het wezen der democratie ligt natuurlijk in de gedachte van vrijheid en gelijkheid, zooals reeds Aristoteles opmerkte. Maar juist in de tot op zekere hoogte gezonde gedachte van gelijkheid ligt een groot gevaar voor de vrijheid en daarom voor het volk en de democratie zelf. Heeft het volk, waarin de drang naar gelijkheid post vat geen fijne geestelijke voelhorens om in de ongelijkheden van het leven beschikkin-

Sluiten