Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tie-arbeid een voortreffelijke plaats wordt ingenomen door de Zondagsschool. Gij verwacht van mij niet, dat ik dit aantoon; dingen die onder ons zoo lang reeds vaststaan, behoeven geen nader betoog: deze waarheid is niet alleen theoretisch beredeneerd, doch ook practisch bewezen.

Temeer valt te betreuren, dat niet slechts de aandacht en de belangstelling voor de Zondagsschool in de laatste decenniën merkbaar afnam, doch dat daarmee ook gepaard ging een vernauwing van de invloedssfeer, zoodat de Zondagsschool in den feilen concurrentie-loop op de jeugd, in het oogloopend in de achterhoede is geraakt. Dat onze Zondagsschool een crisisperiode te doorworstelen heeft, is reeds jaren geleden als een bedenkelijk feit gesignaleerd geworden. Al in 1914 werd te Amsterdam in een jaarverslag letterlijk de volgende verzuchting geslaakt: „Zeker mag op moeilijkheden om de kinderen op de Z.S. te krijgen en te houden, wel eens de aandacht gevestigd worden."

Verschillende omstandigheden hebben in den laatsten tijd niet nagelaten, het crisis-probleem inzake de Zondagsschool beangstigend urgent te maken. Deze omstandigheden zijn zooeven in het jaarverslag 1932 van de Vereeniging „De Geref. Zondagsschoolbond", waarin opgenomen is het „Rapport, Hoe bevolken we de Zondagsschool en houden we de kinderen?" aldus opgesomd (ik verkort ze aanmerkelijk): doorwerking van socialisme en communisme; stijgende onverschilligheid van de ouders; gebrek aan belangstelling van de zijde der Kerk; onvoldoend meeleven van personeel met de kinderen en hun gezinnen; toenemende concurrentie jacht van den kant der moderne attracties; gemis aan voldoend contact tusschen corporaties en commissies; stelselmatig weren van kinderen uit Chr. gezinnen; toeneming van het getal Chr. scholen. Stellig is deze opsomming nog uit te breiden met den invloed der economische crisis in het algemeen, die van velen verhoogde activiteit eischt in den strijd om het bestaan en zoodoende vermindering van werkgelegenheid van geestelijke en ideëele strekking meebrengt, en die vele anderen in een stemming van depressie en moedeloosheid brengt, waaronder de lust en de kracht om het Zondagsschoolwerk te doen in niet geringe mate gaan lijden. En tenslotte mag daaraan nog toegevoegd worden de mentaliteit van sommigen, die in hun zucht naar wat nieuw is en reclame maakt, de Zondagsschool als een min of meer verouderd instituut beschouwen, waaraan niet veel te reorganiseeren valt. Een soort van defaitisme dus.

Sluiten