Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten aan de publieke weldadigheid, ja die zich zelfs de bloedverwantschap eenigszins schamen ? Schande over hen!

Wie de zijnen niet verzorgt is erger dan een heiden ; de eigen bloedverwanten gaan vóór'alles ; zij zijn het eerst op het hart gebonden. Men is verplicht te geven zegt de Apostel (v. 12, 13) naar hetgeen men heeft, niet naar hetgeen men niet heeft. En het zou de ongerijmdheid zelve zijn, zichzelf en de zijnen in de verdrukking, in het ongeluk te storten of in armoede te laten, om anderen eenig soelaas te brengen.

Maar, och, dat gevaar bestaat niet licht. Paulus schijnt het niet zoo zeer te vreezen voor de Corinthiërs. Eerder het tegenovergestelde. In het 9de hoofdstuk toch brengt hij in herinnering, dat „wie spaarzamelijk;zaait, ook spaarzamelijk zal maaien" (v. 6) en hij spreekt den wensch uit dat de bijdrage der gemeente^ (v. 5) inderdaad een zegen moge zijn en niet een „vrekkigheid,". Daar kon Paulus dus ook van mede spreken. Klassieke typen van gierigheid zijn u allen bekend. Maar zou het moeielijk wezen in onze dagen, om ons heen, allerdroevigste karaktertrekken te bespeuren, en komen ons niet vaak de ontzettende woorden, de vreeselijke verv'oeking in de gedachte: „Uw geld zal met u vergaan!" Ik heb eenige jaren geleden, in Frankrijk, het volgende bijgewoond. Twee dames zouden een bijdrage afzonderen voor een werk van groote beteekenis en dringende noodzakelijkheid. De eerste, levende van een inkomen van + fr. 1000, bijdragende aan allerlei liefdewerken, gaf onmiddellijk fr. 2. met minzaam gelaat, zich verontschuldigende dat zij zóó weinig gaf. De andere, na veel pruttelen, na veel klagen over dat „gebedel waaraan geen einde kwam", en na eerst te hebben geweigerd, reikte eindelijk, met een boos gezicht, 60 centimes uit, met de opmerking dat het nu'uit moest zijn, dat zij haar ruïne te gemoet ging, dat het zoo niet voort kon gaan. En mij werd medegedeeld, dat zij over een aanzienlijk kapitaal kon beschikken, dat zij geen familie had, en jaarlijks ongeveer twee derden van haar renten kapitaliseerde. Voor zulke gevallen staan wij stil. Wij buigen dan het hoofd en bidden tot God, dat Hij die ongelukkige slaven en slavinnen genadig moge zijn, want die werken mede de revo-

Sluiten