Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eens onze plicht (Paulus zinspeelt er op verscheidene malen) de meest strenge controle uit te oefenen op de werken instellingen, ondernemingen, die wij begunstigen, en goed te weten waarvoor wij geven.

Tevens moeten wij geven met orde, stelselmatig naar een te voren opgemaakt plan. In het lóe hoofdstuk van zijn isten brief aan de Corinthiërs geeft Paulus den raad, iedere week een zooveelste van zijn inkomen ter zijde te leggen voor het goede doel, om niet door het beslissende oogenblik te worden verrast. Laat ons dien raad ter harte nemen. Wij geven te slordig ; nu eens hier, dan daar, al naar het uitkomt, en zoo leven wij steeds in het onzekere omtrent hetgeen wij kunnen en mogen doen. God is een God van orde, en wie niet getrouw is in het kleine, kan ook met getrouw zijn in het groote

Maar bovenal hebben wij te gedenken dat de waarde van al onze daden afhangt van onze geheime drijfveeren en dat men al zijn goederen ten offer kan. brengen voor de zaak des Heeren en nochtans een klinkend metaal en luidende schel zijn omdat er geen hefde is in het hart. Ja, daar is geven en geven i)e Joden gaven destijds uit wettisch plichtgevoel De Wet had nu eenmaal vastges+eld dat men zooveel moest opbrengen welnu, de getrouwe zoon van Abraham, die gaarne het Koninkrijk der hemelen wilde beërven en met zijn God op gezette.tijden afrekenen hield zich aan het voorschrift. De heidenen gaven uit vrees. Het proletariaat te Rome was een voortdurende zorg voor de schatrijke patriciërs. Op een gegeven moment waren er, alleen in de hoofdstad van het keizerrijk, 300.000 armen die, voor hun onderhoud, op de publieke weldadigheid rekenden Jin men kon dit heirleger oproerige elementen slechts bedwingen door groote uitdeelingen en reusachtige volksspelen. Maar de Christen is verheven boven de Wet, waar de levende Christus zijn Wet is geworden, en vrees kent hij in geen geval Hij geeft uit liefde^ uit dankbaarheid jegens Hem die arm werd om zijnentwil, en Dien hij ontmoet in zijn arme, verlaten broeders Hoe zou hij zijn beurs niet vrijwillig leggen op het altaar, waar zijn leven, zijn eigen-ik hemzelf niet meer toebehoort j Is niet zijn „al het eigendom van zijn Verlosser? „Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil

Sluiten