Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervolger; hem, verdrukker der gemeente, had ontfermd; en de woorden van den dichter zou 00$: jbij op de lippen hebben kunnen nemen:

Zijt Gij, o mijn Koning! (Gij!) tot mij gekomen? Hebt Gij hem gezocht, die naar U niet en zag? Zoo wasch mij, zoo baad mij in louterende stroomen des Geestes, dien Ge uitzondt ten Vijftigsten dag!

(Da CostaJ.

Wonderheerlijke boodschap voor, en ootmoedige belijdenis van, een arm en gebroken zondaarshart: „Dit is een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben." (1 Tim. 1 :13-15). Paulus heeft vergiffenis; Paulus is gerechtvaardigd; Paulus vond de volkomen heiligmaking „zonder welke memand den Heere zien zal" (Hebr. 12 :14) in (Christus zijn Heiland, en de hemelen zijn voor hem geopend, een plaats is voor' hem bereid in het Huis des Vaders, een kroon! wacht hem daarboven; en, staande op de Rots der eeuwen, alle dingen beziende bij het licht der eeuwigheid, spreekt hij dit oordöeï uit over al wat schittert hier op aarde, en groot en schoon en begeerlijk is in de oogen der menschen: „Hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Ja gewisselijk, ik acht ook' alle dingen schade te zijn om da uitnemendheid der

kennis van Christus Jezus, mijnen Heere " (pil. 3 :7 en 8).„

Is hij dan een droomer geworden?- Verre van daar. In de school van God heeft hij geleerd alle uiterlijke omstandigheden, ook rijkdom en armoede, als een voorbijgaand iets te beschouwen, als een kleedingstuk, dat men tijdelijk draagt, doch straks voor goed aflegt; in die school heeft hij houvast gekregen voor zijn ziel, zoodat hij desnoods allen en alles weet te trotseeren met een triomfantelijk: „zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" (Rom. 8:31); maar die school is ook de school van den plicht; de roeping ten eeuwigen leven gaat gepaard met een roeping! voor dezen tijd en voor deze aarde. Geen harder werker dan, Paulus: zijn God wenkt, hij gehoorzaamt. En geen blijmoediger werker tevens. Ook in den grootsten nood nog juicht hij. In den duisteren nacht zingt hij psalmen, Gode ter eer. Niet dat hij zoo sterk' is. Ach, neen. Tot aan zijn laatsten snik worstelt hij met zichzelf, strijdt hij tegen zijn vleesch, roept hij uit: „Ik, ellendige,

Sluiten