Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaarne mededeelende, zijn en gemeenzaam; leggende zich zei ven weg tot eenen schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen" (1 Tim. 6 :17-19).

God geve ons allen in deze beschaamdheid des aangezichts en... bekeuring des harten!

* *

*

Dan zullen wïj ook in den' Tempel eendrachtelijk' volhardende blijven (vs. 4(6). Niet zoekende ons eigen kringetje, waar wij onszelven prediken, maar in het groote geheel onze bescheiden' 'plaats innemende. Niet ons eigen huis bouwende, terwijl het huis; des Heeren woest wordt, maar houwende aan den Tempel Gods met. troffel en zwaard, wetende dat ons eigen huis daardoor vanzelf vaster en zekerder wordt gesteld. En moet ik' hier zeggen hoezeer ik betreur dat wij van de goede, oorspronkelijke Avondmaalsviering zijn afgeweken? De discipelen gingen „van huis tot huis brood brekende", met elkander etende en drinkende „met verheuging en eenvoudigheid' des harten." Welk een heerlijklei gemeenschapsoefening met den Heiland en met elkander! Is daar ons „vier keer per jaar Avondmaalsbediening" niet erg! koud en vormelijk bij ? Wist ge dat Calvijn minstens eens per maand (als het kon'elke week) het avondmaal gevierd wilde zien? Enwaarom niet het avondmaal bij de stervenssponde onzer dierbaren gebruikt, of in een ure van droef-weemoedige scheiding? Al te maal vragen, die wij slechts terloops kunnen stellen zonder er dieper op in te gaan. Maar wel moet ik nog even wijzen op de blijdschap der ■ discipelen en der eerste geloovigen, blijdschap1 in de verzekering der schuldvergiffenis. Geen hangende hoofden, geen treurende gezichten vertoonen zij, maar hemelsche vreugde straalt hun uit de oogen: zij weten, hun Verlosser leeft. En om hunnentwille wordt God geprezen; door hun houding, die een levende prediking is, door hun woord en daad (Christus spreikende en werkende in hen) worden dagelijks geloovigen tot de gemeente toegedaan (vs. 47).

* * *

Laat de vijand dat zoo maar toe? Is er dan maar één Saulus die het gevaar ziet; die begrijpt dat het plantje moet uitgerukt Worden, meedoogenloos vertrapt, nu, zonder eenig uitstel, zal het niet

Sluiten