Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Frans'che Hugenoten voor hun goed recht op. En het beginsel der volkssouvereiniteit, aldus geformuleerd door Jurieu, den Calvinistischen prediker, wiens welsprekende stem van den kansel der Waalsche Kerk te Rotterdam jarenlang weerklonk : „Het volk maakt de souvereinen en geeft de souvereiniteit, dus het volk bezit de souvereiniteit en wel in den hoogsten graad",1) kan als reactie tegen de dwingelandij van den Zonnekoning heel goed worden' verklaard (het absolutisme moet tot revolutie leiden), kan zelfs geacht worden een gedeeltelijke waarheid te. bevatten, — mits men de bron van het gezag niet zoekt in het volk, maar in God. Alle machthebbers regeeren, besturen, oefenen rechtspraak uit bü de gratie van Hem, Die alleen Koning is, Die alleen regeert; en wie dat waarlijk beseft, zal nooit voor het absolute koningschap zijn, zal steeds zich een voorstander betoonen van een degelijke grondwet; want de mensch is en blijft mensch ; zijn beenen kunnen de weelde niet dragen, en volkomen terecht zegt dan ook ons formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen : „Het is goed, dat bij de Dienaren des Woords (och ja, in elk hart schuilt een pausje!) zoodanige mannen tot mederegeerders gevoegd worden, ten einde daardoor uit de gemeente Gods te meer geweerd worde alle tyrannie en heerschappij, die lichter kan inbreken, wanneer bij één alleen of bij zeer weinigen de regeering staat." Breng dit beginsel van de Kerk op den Staat over, en ge krijgt een democratischen, grondwettelijken regeeringsvorm. „Door Mü, zegt de wijsheid Gods, regeeren alle machthebbers, ook de koningen. Ik kan ze maken en breken, ze gebruiken en verwerpen ; aan Mij wordt elk gezag — hoe veel of hoe weinig ook ■— ontleend." Welk een verantwoordelijkheid voor elke Regeering. die zich van haar taak en haar roeping klaarlijk bewust is! Gelijk een vader, een moeder, die niet alleen hun

i) Zie : Naar aanleiding van de Volkssouvereiniteit, door Frank Puaux, waarvan de vertaling is opgenomen in Laatste oorlqgsklanken pp. 275—278.

Sluiten