Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar gij, Priester, deelt in de Almacht, Grooter wondér wrocht uw woord,

Want den Schepper zelf der wereld Brengt gij op het altaar voort.

Ja, 't is grootsch, het aanzijn geven Aan een talloos eng'lenheir,

Die het eeuwig loflied zingen, 't Koningslied, hun Vorst ter eer.

Maar van zondaars eng'len maken, Trouwe dienaars van hun God,

O! het is oneindig grooter, Priester Gods, ziedaar uw lot!

En terwijl Jehova's machtwoord Eenmaal slechts de wereld schiep,

En Hij eens slechts 't Koor der Eng'len Door Zijn wil ten leven riep,

Hebt gij, Priester, hoogst bevoorrecht, Door een woord van hooger kracht,

Neen, niet eens, maar duizend malen, Grooter wonder voortgebracht.

Toen gij Christus neêr deedt varen, Door het machtwoord van uw mond,

En het offer der altaren Voor het eerst ten Hemel zondt;

Toen van de eeuw'ge Sionszalen, U de sleutel werd vertrouwd,

Die gij sinds ontelb're malen ■ Voor den zondaar oopnen zoudt.

Het exemplaar van deze cantate, dat voor mij ligt, is mij toegezonden door een R.-Katholiek, die er deze volkomen juiste

Sluiten