Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tSsch, door de kracht der gebeurtenissen- zelf, voor de beslisv sende keuze gesteld: zij bangt nog aan de lippen van den grooten' profeet, den gezant Gods des. Allerhoogsten, machtig in woorden en in daden: 'zij omringt Hem nog bij duizenden en duizenden, bewonderende Zijn moed, die geen onderscheid des persoona kent, verheerlijkende Zijn 'barmhartigheid en ontferming, kinderlijk' vertrouwende op Zijn wijsheid die van boven is, steunende op Zijn sterken arm, cue steeds tot het kleine, het versmade, het diepgezonkene gewend blijft. De discipelen echter zien een sombere toekomst naderen. Al is de volle werkelijkheid nog voor hun oog niet blootgesteld, al blijft de ontzaglijke realiteit van het Kruis vopr hen alsnog verborgen, zij bespeuren de voorteekenen van den komenden storm; zij hooren het ratelen van oen naderenden donder; zij vermoeden eenigszins waarop de vijlanjdschap der vromen, de 'bittere haat der grooten moet uifrüoopen, — en hun hafr't is bevreesd, onbestemde angst maaldt zich van hen meester, onbeschrijfelijke droefheid komt hun gelaatstrekken verduisteren. Tot hun troost en bemoediging spreekt dan de Heiland deze vriendelijke woorden: „Vreest niet, o mijn geliefden, voor degenen die het lichaam dooden en daarna niefts* meer kunnen doen. Vreest God alleen, die het lot van lichaam en ziel, beide, in Zijn hand heef ij; die alle dingen bestuurt, geleidt, naar den raad Zijns welbehagens. God, die al uw nooden kent, al uw behoeften doorgrondt, al uw tranen telt; zonder Wien zelfs geen haar van uw hoofd ter aarde vaBt; die u bezielt van voren en van achteren; die uw staan en uw zitten weet; die uwen uitgang en uwen ingang bewaar^; ja, vreest Hem, maar dan ook Hem alleeni voor al het andere zijt gij veilig en geborgen: uw hart worde niet ontroerd en zijt niet versaagd."

Plotseling wordt de Heiland uit die hoogere gedachtensfeer naar beneden gehaald door een hoogst-banaal verzoek: „Meester)! zeg mijnen broeder, dat hij met mij Ide erfenis deele." De man, die zoo spreekt, heeft de hooge vlucht van 's Heeren woorden niet kunnen volgen. Al het gesprokene, hoe schoon ook, ging over zijn hoofd heen. Voortdurend zaten hem de moeilijkheden, die hij met zijn broeder heeft, in den Weg. Het is ook een netelige zaak. Vader is gestorven en heeft nog al aardig wat nagelaten. Doch toen het op deelen aankwam, toen jnam de ellende eerst recht een aanvang. Tegen het eigenbelang bleek geen vriendschap, geen liefde, geen broederlijke gezindheid bestand. Bittere vijandschap is daar tusschen zonen van

Sluiten