Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarom dan weigert de Heiland in het onderhavige geval zich uft te spreken; waarom wijst hij het verzoek van dien broeder, die zich verongelijkt acht, met beslistheid van de hand?

Omdat, M.H., een beslissing, een uitspraak als daar gevraagd werd, nog daargelaten dat het anderen het werk uit de handen nam, het hart niet zou hebben getroffen, de kern derj zaak niet zou hebben blootgelegd, en dat de methode van den Heiland isrbeeds is: niet van buiten naar binnen, maar van binnen, naar buiten; niet aan de wijzers getornd om het uurwerk te verbeteren, imaar het uurwerk hersteld, opdat ook de wijzers goed en zuiver Izouden gaan. Vanwaar het geschil tusschen die broeders, gehjk Zoo menig geschil'? Vanwaar zooveel haat, nijd, twist en gekijf? fVan de geldgierigheid, de schraapzucht, het onbeteugeld begeeren lom maar steeds zïjln bezit te vermeerderen, huis aan huis te trekken, akker bij akker te voegen, zonder te vragen naar kien rijkdom die in en uit God is; zonder het leven dezer wereld, ook het 'bezit dezer aarde, te beschouwen bij het licht der eeuwigheid, te schatten op hun juiste waarde. t ',

En tegen de geldgierigheid, de ioomlooze hebzucht, waarschuwt de wonderschoone gelijkenis die thans volgt.

* * *

,,Eens rijken menschen land had wel gedragen." Van huis uit was de boer reeds welgezeten; hij was dus niet wat wij •gewend zijn te noemen: een O.-W.er; zijn ouders hadden hem een bef lijk erfdeel nagelaten; gebrek had hij nimmer gekend, doch (thans valt zulk een rijke oogst hem ten deel, dat hij zijn fortuin op ongekende wijze vermeerderd ziet.

Waarom zulk een buitenkasje voor een die er waarlijk geen behoefte aan had'? Waarom zulk een rijke zegen voor een egoïst, die van zijn „buik een God maakte"? (Fil. 3:19). Ja, breid de vraag nog uit, en luister naar de klacht van Asaf (Ps. 73), die maar niet begrijpt waarom de goddeloozen vaak' zoo voorspoedig zijn in hun wegen.

Zij weten van geen tranenbrood, Van geene banden, tot hun dood; Hun kracht is frisch, zij zijn gezond, Tot op hunn' laatsten avondstond.

M.H., laat u dopjr al dat vragen niet van dé wijs brejngen. Laat uwe ziel stil zijn tot God. 1_et ook, alsj Asaf , op het einde

Sluiten