Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opkomt voor die gelijkheid, die met ons zijn als schepselen Gods, in Adam één, tot éénzelfde heil in Christus genood, onlosmakelijk samenhangt.

* *

*

Is dat alles duidelijk gezegd, zoo dat geen misverstand bij niemand meer mogelijk is ? Welnu, dan kunnen wij ons met te meer kracht wenden tegen den geest uit de diepte, dien ik u bij den aanvang signaleerde : geest die overal voortvreet ; in alle kringen zijn slachtoffers maakt ; allerwegen verbittering zaait ; het maatschappelijk leven voor ieder en voor allen tot een hel dreigt te maken, en die met haat en nijd op de vijf talenten van den'buurman blijft staren, zijn eigen talent met minachting verbergende in de aarde. Waartoe gewerkt, waartoe zich zooveel moeite getroost, als men ook maar één talent ontving, terwijl men zich tot het beheer van een tiental of meer volmaakt geschikt, volkomen berekend acht ? Zoo'n willekeurige meester (voor velen trouwens niet „iemand", maar „iets": het noodlot, het toeval), die zoo onrechtvaardig met het zijne omsprong, zijn gaven zoo onbillijk verdeelde!

Doch voor wij verder gaan, eenige woorden over het verband. De Heere Jezus geeft, bij Zijn naderend einde, Zijn laatste vermaningen aan Zijn discipelen. Hij zal van hen worden weggenomen. Hij zal „verreizen", doch Hij zal hen geen weezen laten. Hij komt tot hen in den Heiligen Geest, naar Zijn godheid, majesteit en genade, en eens keert Hij weder om de volmaakte orde, die is, ook naar buiten te openbaren, om rekenschap te vragen van Zijn dienstknechten, om te oordeelen de levenden en Se dooden. Die tusschenperiode is voor de strijdende Kerk een tijd van werken en handelen, evengoed als van biddend wachten «en waken. De vermenigvuldiging der talenten is evenzeer roeping en plicht, als het brandend houden der lampen. De gaven, die de Heiland aan de Zijnen schenkt, bij Zijn opvaren in de hoogte (Ef. 4 : 8), moeten worden vruchtbaar gemaakt, dienstbaar aan Zijn koninkrijk; het pand dat Hij hun toebetrouwt (1 Tim. 6 : 20 ; 2 Tim. 1 :14) moet ongeschonden worden bewaart, d.w.z. moet worden

Sluiten