Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, kortom al wat niet „lieverig" klinkt, al wat smart en pijn, dood en jammer veroorzaakt, a priori moet veroordeelen als ongeoorloofd en verwerpelijk. Hoe verre is Christus vandaan van zulk een caricatuur, van zulk wandrochtelijk beeld Zijner leer.

De Bergrede. Juist, de Bergrede, maar daarin heeft Christus zelfs gesproken van een dooden van lichaam en ziel belde. In vers 21 en 22 staat: „Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: gij zult niet dooden; want zoo wie doodt, die zal strafbaar

zijn door het gericht; doch Ik zeg u wie tot zijn broeder

zegt: gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur". Dat is nog wat anders, voorwaar dan dooden van het lichaam. Tevens blijkt uit deze woorden dat het gebod: „gij zult niet dooden" ziet op „moord" in de onderlinge samenleving gepleegd, als men op eigen gelegenheid een ander moedwillig om 't leven brengt; vandaar, dat er bij staat: „die zal strafbaar zijn door het gericht". Ware alle dooden en straffen van den naaste absoluut uitgesloten, dan kon er ook geen sprake zijn van een „gericht", dat een misdadiger strafte.

Heel de Bergrede en al wat Jezus voor de ooren des volks gesproken heeft,is bij lange niet altijd „liefelijk en vredig" geweest in den zin waarin de dienstweigeraar dit opvat; maar het was vol van aanzegging van oordeel en gericht.

Zie ook uitspraken als Mattheus 13:40-43; 13:49—51; 16:27; 18:6; 24:30 v.v., 25:46. Marcus 5:13; 10 :45. Lucas 10:14, 15; 11 : 19; 11 :50, 51 ; 13:5; 19:27; Johannes 3:15 enz. In al deze en dergelijke plaatsen klinkt ons tegen een toon van oordeel en gericht, strafoefening en verdoemenis. Zou het dus wel waar zijn, dat Christus' leer enkel een zedeleer is van „liefde" en nog eens „liefde" en enkel „liefde", zonder vergeldingsidee; en zonder het begrip van wrekend recht ? Het blijkt wel van anders. Volgens de „leer van Christus" is God zelf een wreker van het kwaad, van de zonde, en is schrikkelijke vergelding het loon van een iegelijk, die goddeloosheid doet. En aan dit grondbegrip ontleent de overheid haar gezags-bevoegdheid, zij is Gods dienaresse en draagt het zwaard daarom niet te vergeefs. Alleen als Christus een Tolstoyaansche opvatting van „liefhebben" had gehuldigd, ware hier andere zienswijze mogelijk; maar dit is ons nu te duidelijk gebleken van anders, dan dat men ooit met een beroep op Christus kan goed praten, dat „liefde" zoo iets is, hetwelk gerechtigheid, gerechte straf vergelding, en daadwerkelijk verweer zou buiten sluiten. Integendeel.

Het is dan ook niet te verwachten, dat Christus of zijn apostelen iets tegen het bestaan van de overheid zouden hebben in te brengen, noch tegen den krijgsdienst. Men verlieze toch niet uit het oog, dat deze twee begrippen niet te scheiden zijn in deze bedeeling. De overheid draagt het zwaard. Een overheid

Sluiten