Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

band met mobilisatie, neutraliteitshandhaving, en zelfs mogelijkheid van oorlog, het optreden van den dienstweigeraar geen klein vergrijp is tegen de maatschappelijke samenleving, ja tegen den welstand en veiligheid van den betrokken staat en zijn burgers. Zulk een vergrijD zonder meer ongestraft, althans ongemoeid te laten ware zelfmoord door overheid en staat gepleegd. Wie toelaat de wet te overtreden in het eene geval moet dit ook toelaten in het andere. Dan houde de overheid voortaan ook op den dief, den brandstichter, den lasteraar, den moordenaar te behandelen. De overheid kan nu eenmaal niet anders, wil ze zelve niet anarchistisch worden, dan overtreding straffen.

Toch maakt het een verschil, of die overtreding uit moedwil, uit moorddadige overweging voortvloeit, dan wel meer bepaald gelijk bij den religieusen dienstweigeraar uit gewetensovertuiging. De overheid diene te zorgen, dat uit eerbied voor het geweten hier een oplossing worde gevonden binnen den cirkel van het geordende staatsleven. Maar dit diene dan toch te geschieden op een wijze, waarbij de prestige van de overheid in geenen deele in het gedrang kome. Men ga niet uit van de gedachte, als zou dienen voor het vaderland een ramp, en „vrijstelling" een gunst en gelukkig geval zijn. Integendeel. De „vrijstelling" moet het karakter dragen van een ongewenscht iets. Daarom: algemeene dienstplicht zij eisch, en vrijstelling alleen mogelijk op gronden van ongeschiktheid, of van zulke buitengewone maatschappelijke omstandigheden, die dan als hoogere en eerste eisch den andere (van dienen) overtreft. Wie nu in z'n geweten waarlijk bezwaard is om te dienen, dien moest onder zekere waarborgen dat dit waarlijk gewetenszaak bij hem is, door de overheid zelve een mogelijkheid worden geschapen om niet te dienen. Natuurlijk onder twes* ërlei voorbehoud: a. dat al het redelijk mogelijke is gedaan, om den dwalende van zijn verkeerd inzicht te genezen; b. dat voor de overheid genoegzame geldige waarborg besta dat het den „weigering" waarlijk gewetenszaak is. — Opdat dan alzoo de overheid niet worde beleedigd en genegeerd. Zij moet bóven den „weigeraar" blijven; hij moet niet „mogen" dienen. Lichten we deze twee voorwaarden nog even nader toe.

Vooreerst dient al het redelijk mogelijke te worden beproefd, den weigeraar van zijn dwaalweg te bekeeren. Door hem te doen onderrichten van het onjuiste van zijn standpunt. Zou dergelijk onderricht ook niet tot de taak van den veldprediker kunnen gerekend worden? Ik meen vaH wel.

Blijkt dit onderrjflgt vruchteloos, dan eerst komt de overheid* maar uitsluitend bij^gewetensgevallen, toe aan overwegingen van niet-laten-dienen. Noem dit zoo ge wilt vrijstelling, het zij zoomits men zulke v*$stel|ing niet opvatte, als een bijzondere bevoorrechting, op zichzelf beschouwd. Maar het benoude het karakter van ongeschiktheid; ditmaal dan niet uit physisch maar

Sluiten